Opinie

    • Maxim Februari

Niets komt nog ergens vandaan

De kapper doet erg dominant tegen me. Af en toe steek ik met de veerboot de rivier over om me te laten knippen en dan legt hij uit wat goed voor me is. Zit ik verlegen om inspiratie, dan moet ik me op zijn bevel een middag lang in zijn eenmanszaak achter het gordijn verstoppen. Kan ik naar de klanten luisteren en hun levensverhalen in de krant zetten. Nee, zeg ik, dat gaat me te ver. Ik ga in de stoel zitten, hij slaat een doek om me heen en pakt een schaar.

Achter mijn laptop denk ik tegenwoordig dat het bestaan zich ontwikkelt in de richting van de ongrijpbaarheid. Bestuur zingt zich los van de echte dingen. Financiële handelingen hebben niet meer te maken met de reëel bestaande economie. Beleid berust op data, en ook data bestaan niet echt, ze zijn abstracties van gedrag. Feit is dat de werkelijkheid er nauwelijks nog toe doet: fictief geld en fictief gedrag beheersen de wereld.

Mij interesseert dat mateloos. Ik dompel me in de ficties onder en probeer te snappen wat al die abstrahering met mens en wereld doet. Het gevolg daarvan is dat ik zelf ook ongrijpbaarder word. Je wordt abstract, zegt de vrouw met wie ik op een doordeweekse dag door een modderig weiland ploeter, en ze heeft gelijk. Ik zal mijn leven beteren, beloof ik. Nu kan ik dus twee dingen doen. Over de kat schrijven of naar de kapper gaan.

Van de veerboot af, langs de molen, dwars door de kou, onder Hollandse wolkenluchten door, regelrecht naar de stoel van de kapper. Voordat ik het weet heeft die een mes gepakt en doet hij iets asymmetrisch waardoor ik plotseling op David Beckham lijk. Hé, kijk je wel een beetje uit, zeg ik bits. Maar daar trekt de kapper zich weinig van aan. Twee jaar geleden heeft hij in Griekenland een vrouw gevonden, hij is tot rust gekomen, zacht, voldaan, zelfverzekerd, hij interesseert zich niet meer voor de mening van anderen.

Achter me in de eenmanszaak zit een klant te wachten tot ik eindelijk geknipt en geschoren ben. De man is softwareontwerper. Dat verzin ik niet. Als ik had mogen kiezen was hij stratenmaker of fruitteler geweest; ‘der Vogelfänger bin ich ja, stets lustig heißa hopsasa!’. Maar ik ben helaas niet de baas over dit verhaal, ik schrijf het slechts op zoals het is: de man ontwerpt software voor ziekenhuizen. Hij praat over tekorten in de zorg, over de integriteit van het openbaar ministerie, over ambtenaren van de IND die regels overtreden op bevel van hun leidinggevenden. Ik kan het niet helpen. Hij praat over falende systemen.

De dag is kort en loopt ten einde. Als ik straks met de veerboot weer naar huis vaar is de rivier donker. Achter me zit de softwareman in de vallende duisternis wijdbeens te brommen; hij heeft het over verzekeraars die ziekenhuizen failliet laten gaan. Het is waar, zegt de kapper. Waarop een ingewikkeld verhaal volgt over de dure medicijnen die hij voorgeschreven krijgt zonder ze nodig te hebben. „Die moet je gewoon blijven bestellen”, zegt de softwareontwerper. „Kun je ze verkopen op Marktplaats.”

Ik zit hier op een stoel en ik zit hier voorlopig best. De postbode brengt een laat pakje, ik krijg koffie, bij de rivier zoeken ganzen een goede plek om te gaan dromen van de toendra. Ergens las ik een bericht over accountants, die te traditioneel worden opgeleid om klaar te zijn voor de nieuwe tijd. Willen ze relevant blijven, las ik, dan moeten ze zich op metadata gaan richten en op processen. Hetzelfde geldt voor veel andere beroepen, voor advocaten bijvoorbeeld en voor columnisten. Geen data meer maar metadata. Geen handelingen maar processen.

Achter me praat de softwareontwerper over integriteit van systemen. Een paar jaar geleden heeft iemand nog een boek geschreven over de dingen. De gewone dingen, bedoel ik, de stoelen en de klokken. Dat boek Das Universum der Dinge van Konrad Paul Liessmann gaat over de esthetiek van het alledaagse. Ooit vertoonden de dingen sporen van hun fabricage, las ik in een bespreking ervan. Met de industrialisering verdween het handschrift van de ambachtsman. Met de digitalisering verdween de hele fabricage uit zicht. Niets komt nog ergens vandaan.

We stijgen op, we weken onszelf los, we abstraheren en er zit niks anders op dan die abstractie onder ogen te zien en je af te vragen wat eraan ten grondslag ligt. Je zelf bijvoorbeeld. Zelf besta je nog wezenlijk als concrete grondstof voor de processen. Ik kijk met belangstelling naar mijn zelf in de spiegel. Jongen, zeg ik tegen de kapper, kijk nou toch, je hebt mijn hele haar verpest. Maar het interesseert de kapper niets. Moet jij eens zien, zegt hij. Moet jij eens afwachten hoeveel mensen straks zeggen dat je er fantastisch uitziet.

Maxim Februari is jurist en schrijver, www.maximfebruari.nl.
    • Maxim Februari