Lichtzinnigheid directeur versus nalatigheid bank

Deze rubriek belicht elke week kwesties uit het bedrijfsleven waarover de rechter zich onlangs uitsprak. Deze week civiel recht.

Foto Getty Images/ iStockphoto

Een goed onderkomen voor zijn ex en hun minderjarige dochter, dat was wel het minste dat de Rabodirecteur wilde regelen toen zijn huwelijk strandde. De toenmalige SNS Bank, nu Volksbank, maakte aankoop van de extra woning in 2008 mogelijk met een hypotheeklening van 368.000 euro, gebaseerd op zijn inkomen. Iedereen blij. Totdat haar inkomen in 2012 door arbeidsongeschiktheid wegviel en hun de lasten boven het hoofd groeiden. De bank gelastte verkoop, waarna 83.000 euro restschuld overbleef. Of de directeur maar even wilde betalen, want bij zijn ex viel niets te halen.

De directeur zag zijn bezwaren door de rechtbank Midden-Nederland goeddeels verworpen. In hoger beroep had hij vorige week meer succes: het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden had vrijwel geen goed woord over voor de bank. Deze wist dat de directeur, gezien zijn inkomen van 140.000 euro, zijn ‘financieringsruimte’ had opgesoupeerd met de hypotheek van 840.000 euro voor zijn eerste huis. Maar de bank vond dat zij daar geen rekening hoefde te houden, omdat hij deze woning zou gaan verkopen.

En precies daar ging de bank volgens het hof in de fout, want haar wettelijke zorgplicht behelst onder meer waken tegen overkreditering. Dat is, aldus het hof, een „zelfstandige plicht”, waarvoor de bank zich niet had mogen verschuilen achter de hypotheekadviseur, zoals zij deed. De bank voerde aan dat de directeur met zijn langjarige ervaring in het bankwezen zelf had moeten beseffen dat hij een groot risico liep met de tweede hypotheek. Daarin kreeg de bank steun van het hof. Alles afwegende – nalatigheid van de bank en lichtzinnigheid van de directeur – concludeert het hof dat tweederde van de restschuld voor rekening van de bank moet komen.

Uitspraak: ECLI:NL:GHARL:2018:10149