Opinie

    • Marcel van Roosmalen

Vechten

Ik was de huissleutels vergeten en stond voor een dichte deur. Dan maar naar het café aan de overkant van de straat. Lange bar met een stuk of acht dorpelingen. Een man met een rossige baard, als ik een land moet noemen: Ierland, vroeg of ik van het grote huis aan de overkant was.

„En?” vroeg hij, „hoe bevalt het hier?”

De rest van de bar viel stil.

„Toch wel wennen”, zei ik.

Ik kreeg een klap op de schouder. „Je moet op een club gaan. Kom boksen, ik zit op het industrieterrein.”

Ik moest aan de film Fight Club denken, waarin Edward Norton door een ontmoeting in een vliegtuig ontdekt hoeveel plezier hij aan vechten beleeft. Dit was anders dan Amsterdam waar ook de sukkels op boksen zitten. Nee, als ik nu niet op mijn woorden paste, werd ik binnenkort wekelijks door een stel Zaankanters verrot geslagen, want vechten leek me iets wat ze bij uitstek wel bovengemiddeld kunnen.

De man: „In het begin tegen een zak, daarna een keertje sparren…”

Iemand anders: „Niemand heeft spieren op z’n nieren...”

Het was vriendelijk bedoeld, hij bedoelde te zeggen dat ook ik niet kansloos was tegenover een of ander Zaans beest.

De man met de rossige baard was professioneel kooivechter geweest. Baantje in de horeca in Purmerend, over de bar springen bij gedoe, ontdekken dat je d’r lol in hebt.

„En dan komt er een scout naar je toe, en voor je het weet sta je voor drie ruggen in Rusland in een kooi.”

Bij kooivechten mocht alles behalve met je vingers in de mond van een ander om de tong of de wang los te trekken, in de geslachtsdelen trappen en aan baard of haren trekken. Hij vond het overbodige regels. Hij pakte de jongen aan zijn linkerkant bij het hoofd en vroeg me: „Waar is mijn dekking nou? Waar is mijn dekking nou? Hij kan zo al mijn tanden eruit slaan, toch?”

Daarna: „Dus daarom heb ik een hekel aan regels. Ze zijn overbodig.”

De rest van de bar knikte instemmend, alsof er iets heel wijs was gezegd.

Ik keek naar zijn postuur en vroeg wat hij tegenwoordig deed, want het leek me niet dat hij nog steeds in kooien vocht.

Hij: „Boksles geven op het industrieterrein en voor de rest burn-out. Het energiemetertje staat in het rood.”

Iemand anders: „Ik heb ook een burn-out.”

Ik zag de lampen in ons huis aangaan.

Bij het weggaan zei ik: „Tot volgende week op het industrieterrein.”

Het was het verkeerde grapje, want er werd veel te enthousiast op gereageerd.

Marcel van Roosmalen schrijft op deze plek een wisselcolumn met Ellen Deckwitz.
    • Marcel van Roosmalen