Opinie

    • Marjoleine de Vos

Oh, oh, Madame, overdrijft u niet?

Het avondje bij de duchesse de Guermantes blijkt in zekere zin een tegenvaller: de wereld waar Prousts verteller zich zoveel van had voorgesteld is veel minder bijzonder dan hij dacht. Ook voor de lezer is het een teleurstellende soiree, want weliswaar staan er af en toe geniaal geestige zinnen in de beschrijving van deze avond, maar lieve hemel, wat duurt het allemaal lang en wat moeten we veel horen over allerlei adellijke types en hun afstammingen of halve afstammingen, hun aanspraken, hun ideeën over ándere adellijke types en de rangorde daarvan – zucht.

Maar nee, zei een van de leden van ons kleine Proustclubje, zo moet je het niet zien, die afstamming is voor hen heel belangrijk, dat is de rijke en flonkerende achtergrond waartegen ze leven. En een ander zei: het is Bourdieu avant la lettre; ze zijn allemaal bezig hun positie in het sociale veld vast te stellen en te bestendigen.

We hebben het wel vaker over de Franse socioloog Bourdieu bij het lezen van Proust, want het gaat vaak genoeg over sociaal en cultureel kapitaal, al zou Proust zulke woorden nooit gebruiken. Al zijn personages zijn druk doende zich van elkaar te onderscheiden door binnen de wereld waarin ze verkeren er een net ándere voorkeur op na te houden. Zoals wij dat ook doen.

De adellijke Guermantes hebben nog wel aanzien, maar in de tijd waarin Prousts roman speelt neemt dat aanzien af. De burgerij komt op, vooraanstaand zijn is niet langer (alleen) een kwestie van geboorte, en wat de duchesse, de verrukkelijkste aller vrouwen, zelf voor ongelooflijk esprit en hoogst ontwikkelde kunstzinnigheid houdt, ziet Marcel als enigszins geborneerd en achterhaald. Maar de Guermantes hebben natuurlijk niet door dat hun wereldje obsoleet aan het worden is. Zij kijken gewoon neer op wie er niet bij hoort en verbeelden zich dat hun oordelen van het grootste belang zijn.

Dus wat hadden wij een heerlijke bijeenkomst met ons clubje. Maar toen iedereen weg was dacht ik ineens: we zijn het zelf. Die Guermantes. Wij die ‘Bourdieu’ zeggen en weten wat we daarmee bedoelen, wij die uren praten over Proust en het erg de moeite vinden om een beeld uit het eerste deel („Denk nog even terug aan die lamp met een voorouder van de Guermantes erop!”) te verbinden met wat hier op ongeveer pagina 1.500 staat, wij die moeite willen doen om dit meesterwerk dat ons soms verrukt, soms hevig beroert, soms ernstig verveelt, te leren kennen – wij zijn natuurlijk zelf zo’n uitstervend groepje. Wij vinden al deze dingen van belang maar dat vindt bijna niemand meer.

Met ‘wij’ bedoel ik niet deze specifieke ‘wij’ maar zoiets als ‘de culturele elite’ wat dat dan ook precies mag betekenen, en daarbinnen dan weer de literaire afdeling en daarbinnen dan weer dit ouderwetse ijverige lezen. Alsof de neerlandistiek niet verdwijnt waar je bij staat, alsof niet iedereen serieus meent dat een ‘belangrijk’ boek hetzelfde is als een veel verkocht boek, en dat belangrijk niet betekent: vernieuwend, levensrichtend. En dat is Proust hoe dan ook, ook als je soms oneerbiedig denkt: dit had wel wat korter gekund.

Oh, oh Madame, overdrijft u niet? En vindt u nu echt dat er zoveel verloren gaat als u en uw elitegroepje niet meer bepalen wat belangrijk is? Zie met welk snijdend dédain Madame de Guermantes over een rivale zegt: „Ze gelooft dat ze van hem houdt net zoals ze nu gelooft dat ze Victor Hugo citeert terwijl ze een versregel van Musset zegt.” En dat houdt u werkelijk voor cultuur van het grootste belang?

Marjoleine de Vos is redacteur van NRC.
    • Marjoleine de Vos