Opinie

Met de integratie gaat het goed

De discussie over migratie en integratie mag dan gepolariseerd zijn, in werkelijkheid gaan nieuwkomers steeds meer op de rest van de Nederlanders lijken, schrijft . Voor pessimisme is geen reden.

Foto Peter de Krom/Hollandse Hoogte

Vorige week verscheen het Jaarrapport Integratie van het Centraal Bureau voor de Statistiek. De uitkomsten zijn een stuk opmerkelijker dan je uit berichtgeving erover zou opmaken. De NOS bracht in een tweet als nieuws ‘de langzaam veranderende bevolkingssamenstelling’ en plaatste daar een foto met twee gehoofddoekte vrouwen bij. In het artikel op de NOS-site is te lezen dat het aantal inwoners met een Nederlandse achtergrond in drie jaar tijd met 26.000 is afgenomen. Over het verloop van het integratieproces, de hoofdmoot van het rapport, echter geen woord.

Dat past bij de zorgen die veel politici en opiniemakers de afgelopen tijd hebben geuit over de demografische veranderingen als gevolg van migratie. Zorgen die nauw verbonden zijn met het idee dat al die nieuwkomers een Fremdkörper in ‘onze’ samenleving blijven. En dat diversiteit vooral tot spanningen en tot afnemende sociale cohesie zou leiden. Een overtuiging die de geest ademt van Paul Scheffers geruchtmakende artikel ‘Het multiculturele drama’ uit januari 2000.

Integratie niet te stuiten

Destijds was er ook wel reden tot zorg. Maar hoe staat het er achttien jaar later voor? De conclusie die je uit het laatste CBS-rapport kunt trekken is, dat integratie op vrijwel alle onderzochte terreinen, werk, school, criminaliteit, gezinsvorming, een onstuitbaar proces is. Bij koloniale migranten uit Suriname, bij de voormalige gastarbeiders en hun nageslacht en bij vluchtelingengroepen. Op zichzelf hoeft dat niet te verbazen, want wie de jaarrapporten heeft bijgehouden wist allang dat de verschillen met autochtonen langzaam maar zeker kleiner worden.

Zo gaat tegenwoordig een op de drie kinderen met een Marokkaanse achtergrond naar de havo of het vwo, terwijl dat in 2005 nog maar een op de vijf was. Bij kinderen van Afghaanse en Irakese vluchtelingen is dat aandeel nog hoger, terwijl kinderen van Iraanse vluchtelingen zelfs oververtegenwoordigd zijn in het hoger middelbaar onderwijs. Dat laatste is overigens niet zo vreemd, wanneer we bedenken dat ouders van vluchtelingen relatief vaak hoog zijn opgeleid, terwijl gastarbeiders juist op hun lage scholing waren geselecteerd.

Kijken we naar uitkeringsafhankelijkheid, een heet hangijzer in de gepolariseerde discussie over migratie, dan blijkt die bij kinderen van de klassieke migrantengroepen lager te liggen dan bij hun ouders. Zij zijn namelijk hoger opgeleid, hebben vaker werk, en genieten een hoger inkomen. Ze blijven weliswaar nog steeds achter bij hun Nederlandse leeftijdgenoten, maar die vergelijking gaat enigszins mank, aangezien het nageslacht van Turken en Marokkanen, maar ook Antillianen, die ‘wedstrijd’ met een grote achterstand begon. Zou je hen vergelijken met Nederlanders met eenzelfde sociaal-economische achtergrond, dan verdampt het verschil waarschijnlijk volledig. Zoals ook bij andere dimensies van integratie is het verschil het kleinst bij de jongste geboortecohorten.

In de criminaliteit zijn kinderen van Marokkanen, Turken, Surinamers en Antillianen nog steeds oververtegenwoordigd, de laatsten worden zelfs zes keer zo vaak verdacht van een misdrijf. Het goede nieuws echter is dat de criminaliteit bij alle groepen vrijwel is gehalveerd en dat het om relatief lage percentages gaat. Van 4,4 procent bij Antillianen tot 0,7 bij autochtonen. Overigens zijn migranten en hun kinderen ook vaker slachtoffer van criminaliteit, maar dat terzijde.

Gemengde huwelijken

Tot slot de vraag: met wie trouwen de nakomelingen van de nieuwkomers? Waar het aandeel etnisch gemengde huwelijken bij koloniale migranten al jaren hoog is, trouwen kinderen van Turken en Marokkanen vooral binnen de eigen groep. Kijken we echter naar de jongste cohorten en degenen die voor de tweede keer trouwen, dan stijgt de kans dat men met een autochtoon huwt. En dat geldt zeker voor de hoger-opgeleiden.

Uiteraard is het niet alleen maar hosanna. Beperken we ons tot degenen die hier al wat langer zijn (over Eritreeërs en Syriërs valt nog niet veel zinnigs te zeggen), dan blijken nieuwkomers uit Somalië het nog steeds erg moeilijk te hebben. Ze komen moeilijk aan een baan en hun kinderen vinden we vooral in het lager beroepsonderwijs terug. Hier is dus wel reden tot zorg.

Lees ook: Oudere migranten voelen zich minder gezond dan autochtone Nederlanders

Over de hele linie is het beeld zo slecht nog niet. Zeker wanneer we bedenken dat de vestiging en gezinshereniging van Surinamers, Antillianen, Turken en Marokkanen, omstreeks 1980, economisch gezien op een bijzonder ongelukkig moment kwam, namelijk aan het begin van een lange economische recessie. Dat dit tot sociale problemen zou leiden, niet in het minst voor de migranten zelf, was onvermijdelijk. Zo’n veertig jaar later zijn hun kinderen volwassen geworden en kunnen we eerder van een multicultureel succes dan van een drama spreken, waarbij de opgaande trend vooral zichtbaar werd ná Scheffers artikel. De migranten uit de jaren zeventig en tachtig van de twintigste eeuw en hun nakomelingen hebben indrukwekkende stappen gezet, vaak tegen de stroom in. Hoog tijd dus dat de rest van de samenleving haar integratie-pessimisme laat varen en de nieuwe werkelijkheid onder ogen ziet.

Reageren

Reageren op dit artikel kan alleen met een abonnement. Heeft u al een abonnement, log dan hieronder in.