Er zijn ook zorgen om restitutie Afrikaanse kunst

Frankrijk en koloniale roofkunst President Macron wil 26 door het Franse leger geroofde werken teruggeven aan Benin na een kritisch rapport over erfgoed. Europese musea en handelaren zijn bezorgd.

De deuren van het paleis van Béhanzin staan nu nog in een museum in Parijs. Ze moeten terug naar Benin. Foto Michel Euler/AP Photo

De troon van koning Guézo (1818-1858), de deuren van het paleis van Béhanzin of de ‘antropomorfe’ beelden (half dier, half mens) van de vorsten van Dahomey: ze staan nu nog op prominente plekken in het Musée du Quai Branly-Jacques Chirac in Parijs. Maar niet voor lang meer – 26 door het Franse leger buitgemaakte werken, moeten „zonder dralen” terug naar het West-Afrikaanse land Benin, vindt de Franse president Emmanuel Macron.

Die aankondiging kwam vrijdag kort nadat hij een door hem besteld rapport had ontvangen over teruggave van koloniale roofkunst uit Franse musea. Op bezoek in Burkina Faso had Macron vorig jaar al gepleit voor „tijdelijke of definitieve teruggave van Afrikaans erfgoed [...] binnen vijf jaar”. De Senegalese econoom en schrijver Felwine Sarr en de Franse kunsthistorica Bénédicte Savoy schrijven in hun advies dat dit mogelijk is, mits de Franse wetgeving radicaal wordt aangepast.

Lees een interview met Sarr en Savoy in de NRC special Roofkunst

Buitgemaakt bij verovering

In de erfgoedwet staat nu nog dat Franse museumcollecties „onvervreemdbaar” zijn en losse objecten dus niet geretourneerd kunnen worden. Maar de adviseurs Sarr en Savoy willen een aanpassing die het mogelijk maakt dat via een bilateraal akkoord met een Afrikaans land dat geroofde (of ver onder de marktprijs gekochte) kunst terug wil, een commissie met deskundigen kan worden aangesteld die onderzoekt of die teruggave gezien de geschiedenis „opportuun” is.

Dat is voor de werken uit Benin niet nodig. Daar is bij Quai Branly voldoende onderzoek naar gedaan. Ze zijn in 1892 door de Franse kolonel Alfred Amédée Dodds buitgemaakt bij de bloedige verovering van het koninkrijk Dahomey.

Nadat een deel van de collectie in 2006 al eens in Benin getoond is, diende het land in 2016 een officieel restitutieverzoek in. Dat werd door de regering van toenmalig president François Hollande destijds onmiddellijk afgewezen. Maar Macron, voor wie teruggave van roofkunst het begin is van een „nieuwe relatie” met voormalige koloniën, geeft nu wel gehoor aan het verzoek. „De Afrikaanse jeugd moet in Afrika toegang hebben tot zijn eigen erfgoed”, vindt hij. Het snel ontwikkelende Benin bouwt momenteel verschillende moderne musea.

Tussen de 85 en 90 procent van het Afrikaanse culturele erfgoed is niet meer op het continent, schatten Sarr en Savoy. In Franse musea liggen zo’n 90.000 stukken uit landen in Afrika bezuiden de Sahara: het merendeel in Parijs, maar ook in havensteden als Cherbourg, Le Havre en La Rochelle. „Het is niet zo dat we onze musea gaan leeghalen om andere vol te zetten”, zei Savoy vorige maand in een interview met NRC. Ieder restitutieverzoek moet apart bekeken worden en de auteurs verwachten niet dat al hun aanbevelingen integraal door Macron worden overgenomen.

De Franse president wil begin 2019 een top in Parijs waar vertegenwoordigers van Afrikaanse landen en die van Frankrijk en andere Europese landen met roofkunst „samen de nieuwe relatie” en het door hem voorgestelde „uitwisselingsbeleid” gaan vormgeven. Door te temporiseren lijkt hij musea elders in Europa en, vooral, de kunsthandel tegemoet te komen.

Heus manifest

Want de zorgen daar zijn groot. Voormalig Frans minister van Cultuur en oud-museumdirecteur Jean-Jacques Aillagon noemde het rapport in Le Figaro een „heus manifest” waarin niet alleen weinig aandacht is voor kritische tegengeluiden, maar ook de „universaliteit” van de museumcollecties over het hoofd wordt gezien. De gespecialiseerde Belgische jurist Yves-Bernard Debie noemde het rapport tegenover persbureau AFP „onbruikbaar” omdat „geen enkele kunsthandelaar is geconsulteerd”.

Handelaren vrezen, in de woorden van de bekende verzamelaar Hélène Leloup, dat niet alleen door westerse legers, maar ook in de koloniale tijd aangekochte stukken teruggeclaimd gaan worden. „Wie zegt dat deze goederen geplunderd zijn [...], weet niet dat er [destijds] Afrikaanse kunsthandelaren waren en dat deze markt al bekend was bij Europese musea”, schrijft zij in weekblad Le Point. „Het is ook een neerbuigende visie, die insinueert dat Afrikanen de waarde van hun eigen erfgoed niet konden inschatten.”

    • Peter Vermaas