God in de cloud onthoudt alles

Vanuit Princeton, New Jersey, schrijft over wat haar opvalt. Vandaag: over ons innerlijke leven dat we digitaal vrijwillig uitleveren.
Illustratie Eliane Gerrits

Er zit een brede gleuf in het midden van de enorme vergadertafel op de 25ste verdieping van een wolkenkrabber in Manhattan. Ieder van ons plugt vroeger of later zijn mobiel, computer of iPad in een van de vele opladers in de gleuf. Ondertussen zitten we achter onze apparaten aantekeningen te maken, dingen op te zoeken.

Op het schermpje van de vrouw naast me licht een rood kloppend hart op. Ze bloost en drukt het snel weg. De man aan mijn andere zijde trekt zijn iPad uit de oplader en staat op om een foto van het uitzicht te maken; het World Trade Center onder een hemel waaruit sneeuw dwarrelt. Terug aan de vergadertafel stuurt hij de foto weg. Zjoef.

Mijn schoenen raken verstrikt in de wirwar van snoeren onder de tafel. Waar gaan die heen? Waar is die plek waar al onze berichtjes, foto’s, angst, verdriet en verlangen voor altijd bewaard blijven?

God ziet alles, hij kent zelfs je geheimste gedachten, werd mij als kind voorgehouden. Ik vond dat een verontrustende gedachte. Het betekende dat ik nergens privacy had, zelfs niet in bed. Maar hoe kwam die veel te nieuwsgierige God eigenlijk alles over mij te weten?

Ik dacht: via de witte snoertjes die vanuit de lampen over mijn slaapkamermuur liepen, daarna onder de vloerbedekking door naar mijn klerenkast, om ergens in de buitenmuur te verdwijnen met onduidelijke eindbestemming. Het kon niet anders dan dat, hoog in de wolken, God via deze lijnen mijn geheimen aftapte.

En op een dag, als ik dood was, zo had ik bedacht, ging God er iets mee doen. Op grond van al mijn daden en gedachten, al dan niet zondig, zou hij beslissen of ik in de hemel of de hel zou belanden. Want dat er een eeuwig leven was, dat stond vast.

De vrouw naast me stuurt een plaatje van twee in elkaar gevouwen handjes retour. Zjoef.

„Waar kan ik haar komen ophalen?” vraag ik aan de wildvreemde persoon die op een onscherpe foto mijn rode kat een blikje tonijn voert. Zjoef.

De vergadering is afgelopen. Mensen trekken hun apparaten uit de opladers. De man links checkt Google Maps om te zien hoe laat hij thuiskomt. De vrouw rechts appt dat ze door de sneeuw ernstig vertraagd is en noodgedwongen de nacht in New York City doorbrengt. Plop.

„Het is gezien”, laat Gerard van het Reve zijn hoofdpersoon, kantoorklerk Frits van Egters mompelen aan het eind van De Avonden. „Het is niet onopgemerkt gebleven.”

En zo is het.

Alles wat we doen wordt opgeslagen, voor altijd bewaard. Niets zal in de vergetelheid geraken. Ergens bestaat voor altijd de paniek om de vermiste kat en de blijdschap als die gevonden is. De ontroering over het betoverende uitzicht. Het verlangen naar de verre geliefde.

Het eeuwige leven bestaat. Nu in bits, ergens hoog in de cloud. We hebben allemaal onze eigen privéhemel en -hel, waarvan niet wij de sleutel hebben, maar degene aan de andere kant, die we vrijwillig ons innerlijk laten aftappen.

Niets is onopgemerkt gebleven. Een verontrustende gedachte.

Reacties naar pdejong@ias.edu
    • Pia de Jong