Frankrijk dreigt aan zijn succes ten onder te gaan

Nostalgie De Concorde, de TGV, Catherine Deneuve en Gérard Depardieu. Frankrijk beleefde gouden tijden in de jaren zeventig. Sindsdien gaat het bergafwaarts, vinden veel Fransen.

Een Parijse bistro, 1970. Foto’s Bruno Barbey/Magnum Photos

Als op 20 juni 1969 Georges Pompidou als president van Frankrijk zijn intrek neemt in het Élysée, is dat het eind van een politiek tijdperk. De uitgebluste Charles de Gaulle heeft zich na tien jaar presidentschap en een verloren referendum teruggetrokken en met groot gemak wint zijn ex-premier de verkiezingen. Alles moet anders en dat mogen de Fransen zien. „Ik wil de moderniteit tot het Élysée laten toetreden”, zegt Pompidou.

De nieuwe president geeft de hippe Franse ontwerper Pierre Paulin (1927-2009) de opdracht om drie ruimtes in de goudgerande privévertrekken van het achttiende-eeuwse stadspaleis geheel te restylen: een eetkamer, de bibliotheek en de rooksalon. Er zijn enige randvoorwaarden: hij mag van de erfgoeddienst niet in de muren boren, hij mag niet te veel herrie maken zodat het landsbestuur ongestoord door kan gaan én hij moet – waarschijnlijk onder invloed van Pompidous kunstminnende wederhelft Claude – als het even kan de kleur beige gebruiken.

Het resultaat is verbijsterend. De eetzaal krijgt zelfdragende, organisch gevormde wanden en een ronde tafel met kuipstoeltjes op een enkele poot. Aan het plafond komen 9.000 kristallen buisjes voor een diffuus lichtspel. In de bibliotheek – wit en zwart met een minimalistisch boekenkastje dat voor boeken ongeschikt lijkt – komen fauteuils en banken, geïnspireerd op zitzakken. Hoogtepunt is de fumoir, de rookkamer. Die houdt met zijn gecapitonneerde wanden, lage tafeltjes en stoeltjes het midden tussen een foute nachtclub, een gebedskapel van een sekte en een ruimteschip uit een SF-film. Pompidou, die zelden zónder laaghangende filtersigaret in de mondhoek is gezien, zal er vaak gebruik van maken.

Het eerste supersonische vliegtuig

Frankrijk is in de jaren zeventig zijn tijd ver vooruit. Wat in de vooruitstrevende natie na de gefnuikte studentenopstand van mei 1968 gebeurt, is een voorbeeld voor de rest van Europa.

Neem de industrie. Het zijn de jaren waarin de door Franse (en Britse) ingenieurs ontworpen Concorde gaat vliegen. In drieënhalf uur raast het eerste „supersonische” passagierstoestel van Air France op 21 januari 1976 van Parijs naar Rio de Janeiro. Het zijn de jaren waarin Franse ingenieurs de basis leggen voor de eerste hogesnelheidslijnen op Europees grondgebied. Nadat Pompidou’s regering in 1971 de plannen van spoorbedrijf SNCF goedkeurt, gaat de eerste Train à Grande Vitesse (TGV) in 1981 rijden. De treinstellen worden ontworpen door de grote ontwerper Roger Tallon (1929-2011), ook bekend van modernistische horloges van het merk Lip.

In 1976 vliegt de Concorde van Air France voor de eerste keer van Parijs naar Rio de Janeiro. Foto Hollandse Hoogte

De TGV’s rijden op kernstroom. Nadat in de jaren zestig de eerste kleine centrales waren gebouwd – met andermaal oog voor baanbrekend industrieel design – beslist de regering rond de oliecrisis van 1974 tot forse uitbreiding van het reactorpark zodat het land energieonafhankelijk kan worden. Op de autowegen, waarvan er steeds meer worden aangelegd om de Fransen hun land te laten exploreren, rijden vooral auto’s van Franse makelij. Met de puike Renault 5 (1972) ontdekt Frankrijk de citadine, het praktische stadsautootje, met de futuristische SM maakt Citroën een exclusief sportmodel dat in later jaren een cultstatus krijgt. Johannes Paulus II laat zich in 1980 nog in een open SM door Parijs rijden.

In de muziek is Serge Gainsbourg op de toppen van zijn kunnen met het mysterieuze album Histoire de Melody Nelson (1971) dat, als het niet Franstalig was geweest, net zo groot had kunnen zijn als Sgt. Pepper’s Lonely Hearts Club Band van The Beatles. Hij schrijft en produceert in hoog tempo liedjes voor Franse zangeressen die, overigens buiten de Franstalige wereld, meer succes hebben dan hij zelf.

François Truffaut, maar ook Jean Girault (met Louis de Funès), Catherine Deneuve en de net doorgebroken Gérard Depardieu houden de Franse film zichtbaar. Filosofen als Roland Barthes en Michel Foucault becommentariëren de moderne tijd en nieuwe zeden.

Jazz-Rock festival ‘Riviera 76’ in 1976. Foto Bruno Barbey/Magnum Photos

En dan die keuken. Het zijn de jaren waarin de Franse culinaire critici Henri Gault en Christian Millau na een etentje bij Paul Bocuse in Lyon de term ‘nouvelle cuisine’ munten. Andere chefs, zoals Michel Guérard en de broers Troisgros, volgen de culinaire revolutie waarbij het in de eerste plaats draait om de beste producten van het ‘terroir’ en om stijlregeltjes, zoals het achterwege laten van room in sauzen. De in januari overleden Bocuse wordt met zijn commerciële handigheid het voorbeeld voor een hele generatie ondernemende Franse chefs. Hij bedenkt de (loodzware) ‘soep met zwarte truffels V.G.E.’ voor een banket in 1975 van Pompidou’s opvolger Valéry Giscard d’Estaing. Andere gerechten daar: de ‘Canard Claude Jolly’ van Guérard en de ‘Escalope de saumon à l’oseille’ van Troisgros. ‘Monsieur Paul’ (Bocuse) wordt ook voor gewone Fransen een paus van het goede leven.

Amerikaanse hulp

Dat alles is natuurlijk niet het werk van Pompidou. Zijn kortstondige presidentschap – hij stierf in 1974 – is het slotstuk van wat in Frankrijk bekend staat als „les trente glorieuses”, de dertig jaren van voorspoed na de oorlog. Met Amerikaanse hulp en een strak geleide economie komt Frankrijk weer in beweging. Tussen 1950 en 1974 groeit de economie jaarlijks gemiddeld met 5,4 procent. Er is de facto volledige werkgelegenheid: in 1970 staat de werkloosheid op 2,6 procent. De Fransen consumeren erop los.

Door de aanvankelijke krapte op de arbeidsmarkt hebben Franse vakbonden bijna alles gekregen wat ze vroegen

President De Gaulle zette vanaf 1959, met Pompidou vanaf 1962 als premier, de grote lijnen uit. Frankrijk moest een industriële en geopolitieke grootmacht worden en dankzij het Amerikaanse geld kon hij op alle fronten tegelijk investeren. Maar Frankrijk moest ook weer geen filiaal van Washington worden. Met zijn concept van een „exception culturelle française”, de Franse uitzondering, revitaliseerde De Gaulles minister van Cultuur (en schrijver) André Malraux de kunstsector en kreeg cultuur ook volwaardige economische betekenis. Pompidou plukt de vruchten daarvan in de succesjaren.

Sindsdien, vinden veel Fransen, gaat het nog louter bergafwaarts. Economisch sowieso: na 1970 loopt de werkloosheid steeds verder op. In 1979 wordt de grens van 6 procent doorbroken, om daar nooit meer onder te komen. In 1974 is voor het laatst een begroting met een overschot gepresenteerd. Nog steeds wordt er fors geïnvesteerd – maar op de pof. Frankrijk dreigt aan zijn succes ten onder te gaan: door de aanvankelijke krapte op de arbeidsmarkt hebben vakbonden bijna alles gekregen wat ze vroegen. Dat heeft volgens economen tot verstarring geleid waar politici nu nog mee kampen. In een globaliserende wereld wordt Frankrijk niet alleen minder concurrerend, maar ook steeds minder uniek en uitzonderlijk.

Verheerlijken van de jaren ’70

De nostalgie naar die gouden jaren neemt steeds grotere vormen aan. Zoals een Nederlandse premier ooit de normen en waarden van de jaren vijftig idealiseerde, zo zijn de symbolen en verworvenheden van de jaren zeventig, lossere zeden incluis, voor generaties Fransen een ijkpunt. ‘Francofielen’ verheerlijken dit tijdvak en doen alsof de tijd sindsdien heeft stilgestaan.

Lees ook: ‘Gele hesjes’ zetten Macron in de hoek

Vooral de conservatieve Le Figaro kan er wat van. Het magazine van die krant, dat regelmatig meedeint op nationaal-populistische golven, heeft om de zoveel maanden een cover die appelleert aan een Frankrijk dat voorbij zou zijn. „Fransen zijn met hun gedachten elders. Ze kijken in de achteruitkijkspiegel, op zoek naar een verstreken gouden tijd en verloren waarden”, schreef het blad onlangs over een vermeende „revanche van het Frankrijk van voorheen”. Het huidige Frankrijk lijdt in een steeds meer gelijkgeschakelde wereld onder een „tekort aan authenticiteit”, analyseerden de auteurs.

Kampioen van het zogenoemde déclinisme, het Franse ‘achteruitgangsdenken’, is Figaro-columnist Éric Zemmour. Zijn boek Suïcide Français (Franse zelfmoord) verkocht in 2014 meer dan een half miljoen exemplaren. Hij verlangt in het bijzonder terug naar een tijd waarin niet-westerse culturen nog geen invloed hadden op de Franse cultuur. Bij het verschijnen van zijn laatste boek Destin Français, werd hem in een interview gevraagd of er nog wel iets leuk is aan het moderne leven van 2018. Misschien de vooruitgang in de geneeskunde en de TGV, antwoordde hij. „Anders niets in mijn ogen. Niet de literatuur, niet de populaire muziek, niet de cinema, niet de televisie, niet het voetbal. Ik blijf zeer gehecht aan de populaire cultuur van de jaren zeventig. Sindsdien zitten we in een periode van verval.”

Déclinisme-literatuur

Sommige boekwinkels hebben inmiddels een speciaal plankje met déclinisme-literatuur. Dat is een vreemde mix met pleidooien voor een liberalere economie of juist voor een sterkere staat, exposés over de fnuikende invloed van externe factoren (zoals immigratie of amerikanisering) op cultuur en gewoonten of ogenschijnlijke huis-tuin-en-keuken-nostalgie, zoals in het in 2014 verschenen boek La France qui disparaît (het Frankrijk dat verdwijnt). Daarin wordt in korte stukjes tekst naast grote foto’s getreurd om uiteenlopende zaken als de afname van topless zonnen, de massale sluiting van kwalitatief goede truckersrestaurants (‘Les Routiers’), het verdwijnen van de Franse tabaksindustrie of typisch Franse automerken (Simca, Panhard) of de gretige aftrek van hamburgers ten opzichte van de eerlijke sandwich jambon-beurre.

Saint-Tropez, 1975. Foto Bruno Barbey/Magnum Photos

Meest karakteristiek en symbolisch is de pagina die de auteurs van het boek wijden aan de Minitel, het typisch Franse telefoon-computerkastje. Het werd, uiteraard in de jaren zeventig, door de Franse posterijen ontworpen en kwam in 1980 uiteindelijk op de markt. Je kon er telefoonnummers mee opzoeken, het weerbericht opvragen of het programma-overzicht voor tv opvragen en schriftelijke berichtjes sturen voor bijvoorbeeld contactadvertenties. In alles was Minitel een rudimentaire voorloper van het internet. Toen pas in 2012 de stekker eruit ging, had Minitel nog 420.000 abonnees – en Frankrijk een grote achterstand op wat in de geglobaliseerde wereld de standaard is geworden: het internet.

Lees ook: Rap is de soundtrack van het moderne Frankrijk

Het Élysée-interieur van Paulin, dat door Giscard d’Estaing weer is verwijderd, staat nu in het museum. Vorig jaar nog werd het in het kasteel van Chambord getoond met de avant-gardistische Franse kunstcollectie van het echtpaar Pompidou. Ook de ‘Minitel I’, toonbeeld van Franse vooruitgang, is nu alleen nog in musea en op brocantes voor verzamelaars te vinden. De Franse techsector draait op volle toeren en president Emmanuel Macron hervormt de economie in hoog tempo. Maar veel moderner dan in de jaren zeventig zal Frankrijk niet meer worden.

    • Peter Vermaas