Opinie

    • Menno Tamminga

Een pensioenakkoord, is dat echt zo moeilijk?

Na het mislukte pensioenoverleg zag je de vertrouwde reflexen. Wie vertegenwoordigen die vakbonden met hun bejaarde achterban eigenlijk nog? Helaas voor de critici: de bonden hebben 1,7 miljoen leden. Dat is bijna zeven maal zo veel als alle politieke partijen, regering én oppositie, samen. Dus als ledenaantallen invloed en macht legitimeren, dan zijn de verhoudingen nogal scheef.

Het geflopte overleg roept vragen op. Hoe kunnen zoveel gehaaide onderhandelaars zulke knullige fouten maken?

Onderhandelingen zijn een samenspel van personen, van het raamwerk waarbinnen zij onderhandelen (het proces) en van de belangentegenstellingen die zij moeten overbruggen.

Lees ook deze column van Tom-Jan Meeus: hoe een akkoord met Rutte verkeerd uitpakt

Het proces en de personen zijn lastig te scheiden. Politici, werkgevers en vakbonden zeggen wel eens dat persoonlijke aspecten in onderhandelingen niet meespelen. Lariekoek. Wie heeft vertrouwen in wie? Wie heeft de gunfactor? Wie niet? Het doet ertoe.

Aan vakbondszijde was dat vertrouwen al gebutst toen het kabinet-Rutte III op het bordes stond. Het regeerakkoord had de oplossing al: iets met individuele pensioenpotjes en een collectief vangnet. Het zal met de beste bedoelingen zijn opgeschreven. Maar de bonden dachten: hoezo overleg als de uitkomst al op papier staat?

Nog meer oud zeer. Het echec van het sociaal akkoord van kabinet, bonden en werkgevers in 2013. De bonden zijn teleurgesteld dat de werkgevers in eigen kringen onmachtig bleven om dubieuze arbeidsconstructies aan te pakken. En dat werkgevers zo lang dwarslagen bij het afgesproken derde jaar WW. Zij balen ook dat het kabinet-Rutte III de arbeidsmarktwet die was gebaseerd op dat akkoord niet eerst heeft geëvalueerd, zoals afgesproken, maar meteen vervangt. Dat verklaart de behoefte van de vakbonden aan politieke rugdekking bij de linkse oppositie.

Met meer meekijkende partijen wordt het onderhandelingsproces extra lastig. De veelheid aan onderwerpen die de vakbonden erbij sleepten, zoals pensioen voor zzp’ers, maakte er een gordiaanse knoop van. Knullig. Als de partijen ook nog tot 6 uur ’s ochtends onderhandelen, is dat een veeg teken. Nachtwerk klinkt stoer, maar leidt tot niks. Men bijt zich vast en forceert geen frisse doorbraken.

Nog een inbreuk op een gouden regel. De ‘bovenbaas’, in casu Mark Rutte, schuift pas aan als een akkoord er (bijna) is. Want als het mislukt, is het resultaat: gezichtsverlies. Dat overkwam hem. Dat belast vervolgonderhandelingen.

Laatste punt: de belangen. Langer werken en de pensioen- en AOW-datum zijn dé sociaal-economische thema’s in deze eeuw van de vergrijzing. Daarover wordt al lang vruchteloos en oeverloos gepraat. Wie een doorbraak wil boeken, moet met ten minste één voorstel komen dat zijn ‘tegenstander’ niet kan weigeren. Bijvoorbeeld: bevriezing van de AOW-leeftijd voor tien jaar op 66.

Precies: de eis van de bonden. Dat doet de schatkist pijn. Maar het biedt het kabinet de kans om een majeure concessie van de bonden te eisen. Bijvoorbeeld: pensioenen met sterker variërende uitkomsten. Die gekoppeld zijn aan beleggingswinsten en -verliezen van het pensioenkapitaal. Met een stabiele premie (een werkgeverseis; de overheid is óók een grote werkgever). Spreek af dat de pensioenfondsen subiet met meer individuele opties komen. Parkeer technische vragen bij een commissie: geen schande bij een akkoord.

Het is anders gelopen. Waarom? Het kabinet, dat hier de vragende partij was geworden, deed geen wezenlijke poging zich te verplaatsen in de belangen van de anderen.

Menno Tamminga schrijft op deze plaats elke dinsdag over ondernemingsbeleid en economie.
    • Menno Tamminga