Opa en oma zaten in de wiet en kochten een jacuzzi

Wie: Cornelis en Yvonne

Kwestie: wietplantage op zolder, stelen elektriciteit Waar: rechtbank Utrecht

Voor de deur van de rechtszaal in Utrecht zit een echtpaar van middelbare leeftijd. Hij is 62, zij 59. Ze voldoen niet direct aan het stereotiepe beeld van wietkwekers – bleke, opgeschoten jongens. Zij zijn al opa en oma.

Op de zolder van het echtpaar werd op 12 februari een kwekerij gevonden, nadat de buren over wietlucht hadden geklaagd. De plantjes waren er niet meer, maar de politie kon aan de potjes en grondstoffen zien dat het er 128 waren geweest. De man bekende dat hij de kwekerij had aangelegd. Daarvoor tapte hij ook illegaal stroom af. Dat geld is inmiddels terugbetaald aan leverancier Stedin.

„Waarom ging u in de wiet?” vraagt politierechter C. van de Lustgraaf aan de man. „Voor de centjes”, legt hij uit. Hij heeft werk, maar veel houdt hij niet over na betaling van de vaste lasten: zo’n 400 euro per vier weken. De vrouw paste op haar kleinkinderen en heeft geen betaald werk.

Hoeveel geld er met de teelt is verdiend, is meteen de belangrijkste vraag die de politierechter moet zien te beantwoorden om de straf te bepalen. Het Openbaar Ministerie vordert 68.684,71 euro van het echtpaar, nadat de politie onder meer op basis van kweekschema’s concludeerde dat er ten minste vijf keer geoogst moet zijn. De kwekerij was in ieder geval vanaf mei 2017 in bedrijf.

De man van het echtpaar zegt dat hij maar twee keer heeft geoogst. En kwaliteit en opbrengst vielen „vies tegen”. Hij doet alsof hij zonder enige kennis van zaken is gaan experimenteren, maar de politierechter wijst erop dat de kwekerij was ingericht zoals alle kwekerijen; het amateurisme droop er zogezegd niet vanaf. Toch was het „een fiasco”, houdt de man vol. Hij heeft niet meer dan 2.500 euro verdiend aan de twee oogsten, zegt hij.

Dat vindt de politierechter lastig te geloven. Alleen al omdat het echtpaar in die periode een jacuzzi aanschafte ter waarde van 3.300 euro. En dan had de man ook nog bij de politie gezegd dat ze van het wietgeld uit eten gingen en kleren kochten. De buren zagen dat de scooter van het echtpaar werd ingeruild voor een auto. „Waar kwam het geld daarvoor dan allemaal vandaan?” vraagt de rechter.

De man zegt dat ze zich bij dat ‘uit eten gaan’ niet te veel moet voorstellen, hij had bedoeld „een frikandel halen ofzo”. En, zegt hij ook, hij kluste weleens zwart bij.

Zijn vrouw wist van de kwekerij, maar zegt dat ze er „niets mee te maken wilde hebben”. Ze heeft één keer om de hoek gekeken toen ze de was deed op zolder. „Maar”, vraagt de politierechter, „het is toch ook uw huis. Waarom gebeurde het als u het niet wilde?” De vrouw zegt: „Als je niets te vertellen hebt, dan gebeurt het gewoon.”

De politierechter houdt aan. „U profiteerde wel als er iets leuks uit voortkwam. U nam geld aan om kleren te kopen.” „Ja”, zegt de vrouw, „dat had ik dan op dat moment echt nodig, dan zat er een gat in ofzo”.

Vragen en veronderstellingen van rechter en officier leiden geregeld tot verontwaardiging bij de advocaat van het echtpaar, John Peters. „Wat had ze dan moeten doen, scheiden?” vraagt hij. Wat Peters betreft staat bij lange na niet vast dat er vijf oogsten waren. Los daarvan brengt wiet volgens hem niet op wat het OM beweert. „Het gaat al jaren slecht in de wietbranche.”

Officier van justitie M. Vollebregt noemt het verhaal over de tegenvallende opbrengsten „uit de duim gezogen”. Er zijn wat haar betreft voldoende aanwijzingen voor vijf oogsten en bijbehorende opbrengsten. Het OM gaat daarbij uit van een „ondergrens” en „niet van topkwekers” Ze eist een taakstraf van 140 uur tegen de man en 100 uur tegen de vrouw. En betaling van de 68.684,71 euro.

De politierechter neemt het bedrag over dat de man moet betalen. Daarnaast legt ze de man een werkstraf op van 120 uur. Zijn vrouw, die van het medeplegen van het telen wordt vrijgesproken, krijgt een werkstraf van 60 uur voor het beschikbaar stellen van haar woning. Wat de rechter betreft is het „te makkelijk” om te zeggen: ‘Ik wist het wel, maar ik wilde het niet.’

Voordat de rechter is uitgesproken, staat de advocaat van het echtpaar op en begint zijn spullen in te pakken. „Wij gaan in beroep in de zaak van meneer!”, kondigt hij aan.

    • Merel Thie