Foto Lynsey Addario / Getty Images

Wachten op de hongerdood in Jemen

Hongersnood in Jemen Save The Children schat het aantal kinderen onder de vijf dat sinds het begin van de oorlog in 2015 is gestorven op 85.000. De meesten niet door oorlogsgeweld, maar aan ondervoeding.

„Als er geld was, konden we alles kopen”, zegt Belqis Alwail aan de telefoon vanuit de Jemenitische hoofdstad Sana’a. „De meeste dingen zijn gewoon in de supermarkt en apotheek te krijgen.”

Volgens Belqis, die ooit lerares was maar allang geen baan meer heeft, is geldgebrek het hoofdprobleem voor velen in Sana’a waar de toestand steeds wanhopiger wordt door de almaar voortdurende oorlog. Duizenden ambtenaren hebben al vele maanden geen salaris ontvangen.

Belqis woont met haar man Ahmed en haar vier kinderen in een armetierig tweekamerappartement in de hoofdstad Sana’a. Een vijfde baby is op komst en ze biedt bovendien onderdak aan de vier kinderen van haar zus. „Godzijdank verdient Ahmed nog iets als buschauffeur, maar het leven is heel erg duur geworden.”

Ze legt uit hoe dat zit. De spullen die bestemd zijn voor Sana’s komen grotendeels binnen via de havenstad Hodeida – de stad die al weken onder vuur ligt van de coalitie onder leiding van Saoedi-Arabië – en moeten dan over land naar steden als Sana’a of Taiz. Onderweg zijn talloze controleposten van de Houthi’s, die het noorden en ook de hoofdstad Sana’a beheersen. Daar moet telkens betaald worden.

Tegen de tijd dat die goederen in de winkel belanden is hun prijs ten minste verdrievoudigd. „En bederfelijke waar als melk komt vaak bedorven aan. Die rit kost eindeloos veel tijd, vrachtwagens staan uren of dagen in de zon.” Daar komt de hoge benzineprijs nog eens bovenop. „Dus we eten geen eieren, vlees, vis, kip, fruit, groente of melk meer.” Het dieet van de familie bestaat uit brood, rijst en bonen, en soms yoghurt.

Miriam Hamdan (20) met haar ondervoede dochtertje van 1 jaar en 8 maanden. Hamdan verloor al een kind.
Foto Lynsey Addario / Getty Images
Links: een ontheemde familie die maandenlang bivakkeerde voor een school in Sana’a.
Foto Lynsey Addario / Getty Images
Foto Lynsey Addario / Getty Images

Maar in sommige streken is de situatie zo wanhopig dat kinderen sterven van de honger. Hulporganisatie Save The Children schatte vorige week het aantal kinderen onder de vijf dat sinds het begin van de oorlog in 2015 is gestorven op 85.000. De meesten niet door oorlogsgeweld, maar aan ondervoeding. Die cijfers zouden zijn gebaseerd op gegevens van de Verenigde Naties, zonder dat duidelijk is welke gegevens dat zijn. Evenmin is duidelijk hoe dit getal zich verhoudt tot de kindersterfte in Jemen voor de oorlog.

Het wrange is, vertelt Belqis, dat er bij haar in de buurt intussen nieuwe winkels en restaurants worden geopend. Anoud Alanesi – medewerkster bij een ngo – die een paar buurten verderop woont, bevestigt dat. „Klopt, nadat de Houthi’s ons geld hadden gestolen zijn er nieuwe supermarkten geopend en scholen gebouwd, privé natuurlijk. En van onze organisatie stalen ze gepantserde auto’s.” Zowel Anoud als Belqis noemt de Houthi’s onafhankelijk van elkaar aan de telefoon „idioten uit de bergen.” Dat wil niet zeggen dat wat deze vrouwen betreft de Saoediërs de good guys zijn, verre van: Anoud noemt hen „apen met laptops”. Beiden nemen het Saoedi-Arabië vooral kwalijk dat de oorlog überhaupt begonnen is en hun land op die manier in deze ellende heeft gestort.

Foto’s van Houthi-martelaren bij een ziekenhuis in Sana’a. Foto Lynsey Addario / Getty Images

De jonge Saoedische kroonprins en toenmalig Defensie-minister Mohammed bin Salman had een corrigerende tik op de vingers van de opstandige Houthi’s in gedachten. Riad ziet de beweging – die het zaydi’isme aanhangt, een zijtak van het shi’isme – als verlengstuk van Iran. De guerilla-achtige groepering bleek niet klein te krijgen met luchtaanvallen, die vooral veel burgerdoden opleveren.

Belqis merkt minzaam op: „Een land met zo’n leger en zoveel geld lukt het niet eens een kleine stad als Hodeida in te nemen.” Vredesbesprekingen liepen tot nu toe op niks uit en of dat anders wordt voor een nieuwe ronde, die staat gepland voor eind deze maand, is afwachten. Noch de Houthi’s noch de Saoediërs hebben een duidelijk einddoel voor ogen, en dat onderhandelt lastig.

Internationale organisaties proberen intussen al jaren hulpgoederen het land in te krijgen. Zij kampen met Saoedische tegenwerking en, eenmaal in het land, met dezelfde problemen onderweg als voor de commerciële producten. Bovendien zijn de organisaties voor de distributie afhankelijk van lokaal personeel. En dat gaat niet altijd goed.

Houthi-strijders in Sana’a bij de vierde verjaardag van de revolutie in september. Foto Lynsey Addario / Getty Images

Media als Middle East Eye schreven begin dit jaar al over problemen in de stad Taiz met de verdeling van goederen van het World Food Program. Die zouden in handen vallen van (invloed)rijke personen, en ofwel worden uitgedeeld onder supporters ofwel verhandeld op de zwarte markt. Belqis: „Op de school van mijn dochters worden soms pakketten geleverd, maar de directrice deelt die uit onder haar vrienden.” De directrice steunt de Houthi’s, de familie van Belqis doet dat niet. „Het kan de Houthi’s daarbij niks schelen of je zaydi of sunni bent hoor, zolang je ze maar steunt. Sowieso kan niets ze schelen, alleen geld.”

Bovendien, zegt ze, zijn die hulpgoederen niet toereikend. Niet in kwantiteit maar ook niet in kwaliteit. „Van suiker en meel kunnen pasgeborenen niet leven.” Hoe het straks moet met haar vijfde kind, weet ze nog niet. De baby was niet gepland en ze noemt zichzelf een oen dat ze in deze tijden nog een extra mond te voeden krijgt. Maar in de stad, en met hulp van vrienden en familie, lukt dat wel, denkt ze.

Dat geldt niet voor de baby’s en jonge kinderen in de dorpen op het afgelegen en straatarme platteland, waar de meesten van de ruim 27 miljoen Jemenieten wonen. Kan Belqis nog naar de markt lopen, of de kliniek; dat lukt niet in een dorp in de bergen. Transport is er bittere noodzaak. En daar is geen geld voor. „Daar zitten ze gewoon te wachten op de dood.”

    • Judith Spiegel