‘Inspraak is er, maar het is geen Idols’

Siebe Thissen „Als een kunstenaar niet zichzelf kan zijn, krijg je waardeloze kunst”, zegt het hoofd Beeldende Kunst & Openbare Ruimte van de gemeente.

Foto Rien Zilvold

Beelden op straat. Het is voor Rotterdammers zo gewoon, dat ze soms onvoldoende lijken te beseffen hoe indrukwekkend de Rotterdamse beeldencollectie is. Er staan ruim 1.200 werken in de openbare ruimte, waaronder werken van internationale supersterren als Rodin, Picasso, Henry Moore en Nam Gabo. Maar ook van vooruitstrevende Nederlandse kunstenaars als Hans van Bentem, van de Transformer op de Westblaak (The Guard) en straks Florentijn Hofman – die van de grote drijvende badeend en het enorme, uitgetelde aardfeestvarken, van wie volgend jaar een grote vos op de Schiedamseweg komt te staan.

Siebe Thissen is als hoofd Beeldende Kunst & Openbare Ruimte. (BKOR) van CBK Rotterdam verantwoordelijk voor de beeldencollectie van de stad. Zijn boek Beelden, stadsverfraaiing in Rotterdam sinds 1940 won dit jaar de mr. J. Dutilhprijs van het Historisch Genootschap Roterodamum, dat het boek een „meesterwerk” noemde.

Wat is dat toch met Rotterdammers en hun beelden?

„Ja, waarom is het niet bijvoorbeeld schilderkunst geworden, of muziek, zoals in het Engelse Coventry; hun icoon is hedendaagse klassieke muziek, nadat Benjamin Britten zijn War Requiem voor Coventry schreef. Maar bij ons zijn dat die beelden geworden. Voor een deel is dat toeval. Rotterdam had in 1940 de grootste openbare ruimte in Europa, dankzij de Duitsers. Daar komt het modernisme en commercialisme overheen. We ruimen alles op, alles wat nog van waarde is, wordt weggeflikkerd – want heel veel dingen hadden nog gered kunnen worden. De toenmalige modernisten zoals de architect Van Tijen konden hier hun grote utopieën neerzetten.

„Die visie werd heel breed gedeeld, dat waren niet alleen de stedenbouwkundigen, maar ook de ondernemers, de pensioenfondsen, de banken, de verzekeringsmaatschappijen. En in dat moderne offensief paste moderne kunst heel goed. Je zag vaak dat de directeuren van bedrijven zich bezighielden met beeldende kunst. Dat werd een lopend vuurtje.

„Daar is geleidelijk een democratisering gekomen, in de jaren 70. De kunstenaar heeft geen zin meer in een opdrachtgever, of een gebouw, die wil autonomie. Die wil maken wat hij maakt. Ik zeg niet dat het tot goede kunst leidt, maar het is wel interessant. Tegelijk wilde de burger ook inspraak.

„Een van de mooiste voorbeelden daarvan staat in Bospolder Tusssendijken op het Bospolderplein. Als je daar nu komt, denk je, wat staan daar voor gekke, ruwe blokken, waarom staat hier geen mooi bronzen werk? Dat zijn de Wachters van Diet Wiegman, en ze zijn ontzettend collectief tot stand gekomen, nog inspraker dan inspraak. Wiegman heeft met buurtbewoners kuilen gegraven, cement erin geflikkerd, en de beelden met spierkracht overeind getrokken.”

Zijn bewoners altijd zo betrokken bij het kiezen en plaatsen van beelden in de stad?

„We hebben twee tradities in Rotterdam, plat gezegd de elitaire traditie en de participatieve traditie. Dat is al zo vanaf 1960, toen de gemeente zich actief bezig ging houden met kunst in openbare ruimte. De gemeente koos voor participatie, met de percentagekunst [volgens de percentageregeling werd een procent van de bouwsom van gebouwen aan openbare kunst besteed]. Dat is met inspraak van bewoners, gebruikers, architecten – daar zijn wij als BKOR uiteindelijk uit voortgekomen.”

Hoe ziet die inspraak er uit?

„Het is geen Idols, of The voice of Holland. Maar je kan wel met mensen praten. Het veld is natuurlijk niet overal even sterk. In welgesteldere buurten heb je altijd vijf extreem hoogopgeleide slimmerikken die al ideeën hebben. Maar neem bijvoorbeeld de Schiedamseweg, die net een upgrade heeft gehad. De buurt wilde ook een kunstwerk erbij. Toen hebben we drie grote sessies gehad in de bouwkeet, de eerste keer met 70 man.

„De eerste keer praten zij. ‘We willen meer kleur, groot, durf, een icoon’ – we krijgen dan wel een beeld van wat er leeft in de straat. Op grond daarvan komen wij met tien kunstenaars, die we aan de bewoners en ondernemers presenteren. Zij hebben er daarvan vier uitgekozen, en die kunstenaars kregen een schets-opdracht. Je wilt ook draagvlak. We hebben niet voor niets zo weinig vandalisme.

„Die vier gaan ook weer presenteren, in werkgroepen. Een half uur met één kunstenaar, dan schuif je door. Dus je leert de kunstenaar kennen, hoe hij denkt over de straat. Op grond van die sessies zeggen wij dan; deze moet het worden.”

Mogen ze niet zelf kiezen?

„Uiteindelijk niet. Wij denken altijd vanuit de collectie; wat vinden we belangrijk vanuit de stad. Daarom zorgen we dat we alle kunstenaars die we voordragen goed vinden. We zeggen daarom ook niet tegen de buurt: nemen jullie zelf iemand mee. Dan krijg je vaak: ‘Mijn neef kan ook wat.’ We willen trots zijn op Rotterdam als beeldenstad, maar we willen mensen ook heel ver meenemen.

„Natuurlijk houd je altijd iemand die het niets vindt, en die gaan brieven schrijven naar de wethouder. Dat komt omdat het nu eenmaal niet met stemmen gaat. Dat proberen we iedere nieuwe wethouder weer uit te leggen. Wij geloven heel erg in participatie, maar dat zit in het traject. Uiteindelijk moet de kunstenaar vrij zijn om het werk te maken. Die traditie hebben we ook. Als een kunstenaar niet zichzelf kan zijn, krijg je waardeloze kunst.”

Leidt al dat participeren en overleggen niet tot te brave, ongevaarlijke kunst?

„Nou, dat valt op zich wel mee. Er is wel een trend in Nederland dat er veel dieren worden neergezet, daar is in kunstkringen ook kritiek op. Nu komt er dan ook weer een vos [van Florentijn Hofman]. Maar het is niet zomaar een vos. Het is een vos met in zijn bek een plastic zakje. Als je ziet wat wij in die straat en bij de politie en waar dan ook hebben moeten uitleggen over wat er in dat zakje zit. Ondernemers zeggen: plastic zakje, dan denken ze dat we alleen maar shoarma hebben hier. De politie zegt: daar zit natuurlijk cocaïne in, jullie weten dat dit een levendige plek is in de handel. Dus plotseling krijgt die vrij eenvoudige vos een tweede verhaal omdat hij dat zakje heeft.

„In Nederland is er geen discussie over het publieke debat – je mag alles zeggen – maar over de openbare ruimte. Als jij je auto parkeert waar altijd je buurman staat, dan komt hij met een knuppel. Ik heb daar ooit een stuk over geschreven: de kunstsector vindt dat ze op iedere plek een controversieel gebaar van betekenis moet kunnen maken. Maar wat onderscheidt de kunstenaar van de burger die ook zijn ding wil doen op die plek? Het is niet meer vanzelfsprekend dat we de ander in de openbare ruimte de wil opleggen, en kunst is onderdeel van dat proces. Een aantal kunstenaars reageerde daar toen ontzettend pissig op, alsof ik me tegen de autonomie van de openbare kunst keerde. Maar ik vind dat kunstenaars dat spanningsveld in hun werk moeten meenemen. Een goed kunstwerk in de openbare ruimte is in staat de spanningen van die plek in zich te verenigen, en toch nog iets te zeggen.”

En de niet-participatie-traditie?

„De elitaire traditie ontstond ook in 1960. De gemeente keek met jaloezie naar het bedrijfsleven, naar hoe goed de kunst was die zij realiseerden – Moore in het bouwcentrum, Gabo bij de Bijenkorf. Toen zei toenmalig wethouder [Nancy] Zeelenberg: ‘Oké, leuk de percentage- regeling, met elkaar kunst maken voor de stad, maar ik wil ook een commissie met experts.’ Drie kopstukken uit Rotterdam (onder wie de voormalig directeur van Boijmans Coert Ebbinge Wubben) kregen ieder jaar een ton: gaan jullie maar kunst kopen. Zij kwamen in Parijs en New York, daar kwamen anderen niet. Zo konden ze Alexander Calder, Rodin, Picasso kopen. Zij hadden de kennis en het netwerk, en konden onderhandelen over de prijs.

„Dat systeem is eigenlijk altijd op in een of andere vorm blijven bestaan. Het is wel een paar keer aan de kant geschoven, bijvoorbeeld in de jaren 70. Toen was elitair een vies woord, en is er geld gestoken in town painting. Maar het komt steeds weer terug. In de jaren 80 kreeg je de grote manifestatie Beelden in de Stad. Toen zei iedereen: ‘Oh, kan dat ook, werk van internationale kunstenaars.’ De oudjes zeiden: ‘Verdorie, dat hadden wij al, maar dat hebben jullie afgeschaft, het was te elitair.’ Vervolgens is er de internationale beeldencommissie met Joop van Caldenborgh gekomen, wat later Sculpture International werd – dat bestaat nog steeds.

„Het verlangen naar die beelden is groot in Rotterdam. We zijn nu eenmaal een internationale stad. Bij Feyenoord City moet straks toch ook weer iets van internationale faam komen.”

Welke beelden vind jij eigenlijk goed gelukt?

„Er zijn veel werken die ik ontzettend goed vind. The Guard van Hans van Bentem is een van mijn eerste beelden van toen ik in Rotterdam begon. Iedereen heeft met Transformers gespeeld, of hij nou uit Suriname, China of Afrika komt. Op zijn Rotterdams: met meteen een publiek erbij dat het universele beeld begrijpt en in zijn armen sluit.”

    • Elsje Jorritsma