Opinie

De troost van Dieuwertje

Voor mijn dochters is Sinterklaas een vriendelijk soort god – hij zweeft als een veelal gulle instantie boven hun leven, oordeelt over goed en kwaad en openbaart zich eenmaal per jaar in het dorpshuis, een wonder. Zijn cadeautjes zijn geen beloftes over de heerlijkheden van een hiernamaals, maar direct en tastbaar, en gaan vergezeld van schuimpjes en pepernoten. Sinterklaas is kortom wáár, ze zwaaien naar hem, ze zitten bij hem op schoot.

Nu zegt mijn oudste dochter zacht: „Ik weet het geheim van Sinterklaas.”

We rijden over een donkere weg, ik kan haar gezicht niet zien. „O”, zeg ik, „en wat is dat geheim dan?”

„Dat hij niet bestaat.”

„Wie zegt dat”, vraag ik, en ze noemt de namen van vriendinnetjes met wie ze ’s middags heeft gespeeld. Ze is een tijdje stil, dan zegt ze: „En?”

Ze is acht, het is er de leeftijd voor, ik bevestig haar vreselijke vermoeden. „En wie klopt er op de deur dan?” vraagt ze. Ze klampt zich vast aan haar geloof, ze zoekt wanhopig bewijzen van zijn bestaan, en barst in huilen uit wanneer ik vertel hoe ik ieder jaar na een paar slagen op de deur van de woonkamer door de voordeur verdwijn en via de zij-ingang weer binnenkom.

Ze huilt nu hartverscheurend, ik zet de auto stil en ze kruipt bij me op schoot. „Wat is er dan wel waar?” vraagt ze, een belangrijke filosofische vraag waar ik zo gauw geen antwoord op heb. Haar geest plooit zich rond het begrip ‘niets’, probeert er vergeefs grip op te krijgen – een ontzetting. „En die pepernoten in onze schoen”, vraagt ze thuis, nog altijd in tranen, „leggen jullie die ook neer?” Als ik knik steekt ze haar hand uit: „Mag ik er een paar dan?”

Later die avond, in het kleinste theater van Amsterdam, luister ik naar een gesprek tussen A.L. Snijders en Marieke Lucas Rijneveld over god en literatuur. Wanneer Rijneveld vertelt dat ze pas op haar achttiende ontdekte dat er boekhandels bestonden, zegt Snijders dat hij pas op zijn achttiende voor het eerst over god hoorde.

Rijneveld leest een hoofdstuk voor uit haar roman De avond is ongemak. Verbaasd luister ik naar een literaire spiegeling van de gebeurtenis eerder die avond. Een vader vertelt zijn dochter dat Sinterklaas niet bestaat, de Sint op school is Tjerre, de melkklant met zijn kale hoofd. Het meisje huilt, ze denkt aan alles wat gelogen is en de liedjes bij de schoorsteen die het oor van de Sint nooit hebben bereikt. „En Dieuwertje Blok dan?” vraagt ze ten einde raad, is die ook nep? Dieuwertje Blok is echt, zegt de vader, een fundamenteel antwoord dat mij eerder die avond helaas niet te binnen schoot. Dieuwertje als troost voor meisjes die met een klap van hun geloof vallen. „Toch”, schrijft Rijneveld, „probeerde ik in de jaren die volgden het geloof in de Goedheiligman net zo hardnekkig te behouden als het geloof in God – zolang ik ze voor me kon zien of op televisie en zolang ik iets te wensen had, bestonden ze.”

Niet voor het eerst probeer ik me het godsgeloof voor te stellen, hoe moeilijk dat moet zijn zonder de zekerheid van pepernoten of een jaarlijkse openbaring halverwege november. Het enige waar je op mag hopen is een visioen zoals mystici en herdersmeisjes die hebben. Of Blaise Pascal, die in 1654 een openbaring had die hij op een snipper papier noteerde: „Het genadejaar 1654. Maandag 23 november, vanaf ongeveer half elf ’s avonds tot half een ’s nachts. VUUR. God van Abraham, God van Isaak, God van Jakob, niet die van filosofen en geleerden. Zekerheid. Zekerheid. Vreugde. Vrede. God van Jezus Christus. Mijn God en uw God.”

De papiersnipper naaide Pascal als een memo to self in de zoom van zijn jas, waar die na zijn dood gevonden werd. God is zuinig met zijn openbaringen, de meeste gelovigen moeten het zonder doen – geen vuur, geen zekerheid, geen vreugde, alleen maar de gruwelijke beklemming die we lezen bij Siebelink, Treur en Rijneveld.

Tommy Wieringa schrijft elke week een column op deze plaats.