Opinie

    • Sjoerd de Jong

Anti-racisme en NRC: naar welke kant schuift dat Overton-venster nu?

Sommige VARA-leden schijnen de kaft van hun radiobode te hebben gescheurd omdat Sylvana Simons erop stond, aanvoerder van de antiracistische Amsterdamse partij Bij1. Dat gebeurde – gelukkig – niet met NRC, dat Simons afgelopen zaterdag liet interviewen door Clarice Gargard en haar ook op de voorpagina zette.

Maar ook op dat interview kwam wel kritiek ter redactie – en van een enkele lezer. Want was Gargard, die het interview zelf aandroeg, geen columnist én een goede vriendin, of zelfs hartsvriendin, van Simons? En dat twee weken nadat een andere uitgesproken columnist aan een #MeToo-stuk had meegewerkt.

Ik vroeg het voor de zekerheid na bij Gargard, die professioneel en open antwoord gaf op een toch wat impertinente vraag: nee, zij is een kennis van Simons – wat ook op haar verzoek expliciet werd vermeld in het stuk – maar daar houdt het mee op. Wel eens in groepsverband gegeten, nooit bij elkaar thuis geweest.

Zelf vind ik eerder een punt dat Gargard opinieauteur is (al werkt zij buiten NRC ook als ‘gewone’ journalist) en zich in haar column een sympathisant van Simons toont. Hoe kritisch kun je dan nog zijn? Daar staan twee argumenten tegenover, zeggen redacteuren die het interview verdedigen. Allereerst dat dit, ook voor de lezer, volkomen duidelijk is, die wordt dus niet voor de gek gehouden. Ten tweede dat juist in een interview door een geestverwant meer naar boven kan komen dan in het doorsnee halen-en-trekken tussen onbekenden. Juist omdat ze elkaar kennen en opvattingen delen, kon het gesprek anders, persoonlijker, worden gevoerd.

Overtuigend? Twee weken geleden bekritiseerde ik het besluit een columnist te laten meewerken aan een #MeToo-artikel, omdat zij zich zowel over die beweging als over de wereld van het kankeronderzoek waarin het stuk zich afspeelde, keihard activistisch had uitgelaten. Dat wekt de schijn van vooringenomenheid.

Nu zijn er meer NRC-columnisten die wel eens aan verslaggeving doen of dat deden. Maar dan gaat het doorgaans om redacteuren die binnen de organisatie hun sporen hebben verdiend én die als journalist vertrouwd zijn bij zowel de eigen redactie als de lezer. Bovendien, keihard activisme zie ik bij hen niet snel optreden.

En dit interview? Het is op zichzelf helemaal niet gek dat de redactie iemand inschakelt die voeling heeft met een onderwerp, of met een persoon. Dat gebeurt wel vaker. Een interview is ook nog iets heel anders dan een onderzoeksartikel. En inderdaad, dit keer kwam, vergeleken met eerdere interviews met Simons die ik las, meer over haar persoonlijke achtergrond naar boven. Dat geeft reliëf aan een publieke figuur die doorgaans middelpunt is van hatelijke controverses.

De vraag blijft natuurlijk wel of het ook als geheel een geslaagd interview was. Het menselijke aspect was waardevol, maar de politieke vraagstelling aan Simons, de andere helft van het gesprek, vond ik te beperkt. Geen woord bijvoorbeeld over de opmerkelijke weigering van haar partij om een stedelijk akkoord tegen antisemitisme te ondertekenen. Dat had iets kunnen zeggen over discussies binnen de prille partij of over anti-racisme in brede zin. Mogelijk toch een effect van een gesprek tussen gelijkgezinden.

Het interview brengt me wel op iets anders. Je hoort wel eens beweren dat de Nederlandse media ten prooi zijn aan „verrechtsing”. Het Overton-venster, zoals het heet, verschuift, zodat uitlatingen die ooit taboe waren, genormaliseerd worden. Was iemand die klaagt over de ‘homeopathische verdunning’ van het Nederlandse volk bijvoorbeeld, ooit besmuikt afgedaan als randfiguur, nu geldt hij als een serieuze denker.

Toch lijkt de werkelijkheid me gemengder. De manier waarop De Telegraaf campagne voert tegen Kick Out Zwarte Piet laat inderdaad zien dat de ideologische actiejournalistiek uit de jaren zeventig nog springlevend is, zij het nu aan de andere kant van het politieke spectrum. Maar tegelijk zie ik bij NRC een heel andere beweging. Want in deze krant schuift dat venster van meneer Overton wel meer kanten op, en eerder naar ‘links’ dan naar ‘rechts’.

Hier is een greep uit de vermaningen in koppen aan witte-tevens-blanke lezers van de laatste jaren: witte mensen „moeten eens luisteren” (vier ‘vrouwen van kleur’, 2015), we moeten af van het idee „dat witte mensen nu eenmaal slimmer zijn” (Gloria Wekker, 2016), ook moeten „witte mensen een dikkere huid kweken” (interview Anousha Nzume, 2017), want witte onschuld „bestaat niet” (wederom Wekker, 2017). En dan vergeet ik er vast nog een paar. Kortom, je vindt wat aanmaningen in je schoen zeg, als witte lezer.

Nu waren dat veelal lezenswaardige stukken, daar gaat het niet om. Het punt is, als er in NRC één mediasucces voor een beweging valt te noteren, is het de doorbraak van het anti-racistische idioom, dat breed wordt uitgedragen en soms overgenomen (‘witte mensen’, ‘tot slaaf gemaakte’). Ja, af en toe valt er een tegendraads stuk uit de schoorsteen, maar het venster schuift de andere kant op.

Aan de ene kant is dat goed, want er was wel iets in te halen (zes jaar geleden vond ook NRC nog dat Piet ‘gewoon’ zwart moest blijven, nu niet meer). Maar het lijkt me ook iets voor de redactie om op bedacht te zijn, want een beweging verslaan is nog iets anders dan de overtuigingen en het idioom ervan overnemen. Het Commentaar sprak zich onlangs nog eens uit tegen racisme, en zo hoort het. Maar elke maatschappelijke beweging moet tegelijk met journalistieke distantie bekeken worden – ook die van het anti-racisme, die in Amsterdam vanzelf spreekt, maar daarbuiten veel minder.

Reacties: ombudsman@nrc.nl

Reageren

Reageren op dit artikel kan alleen met een abonnement. Heeft u al een abonnement, log dan hieronder in.

    • Sjoerd de Jong