Opinie

    • Frits Abrahams

Zó beroemd en zó ongelukkig

Wat me vooral van de filmdocumentaire The King over Elvis Presley zal bijblijven, is de huilbui van de singer-songwriter John Hiatt. Hij is een van de gasten van filmmaker Eugene Jarecki, die vanaf de achterbank van Elvis’ opgelapte Rolls-Royce hun visie op de rocklegende mogen geven. „Hij is in de val gelopen”, snikt Hiatt.

Elvis is het slachtoffer van de commercie geworden, bedoelt Hiatt. Hij was een simpele, onbedorven jongen die van muziek hield en hij eindigde als een willoze papzak die alleen nog maar tinnef produceerde. Dat is waar, maar interessanter is de vraag: hoe kon dat gebeuren? Is het een incident en zegt het alleen maar wat over het individu Presley, of is het kenmerkend voor het verval van een kapitalistische samenleving, in dit geval de Amerikaanse?

Naar die laatste overtuiging lijken Hiatt en Jarecki over te hellen. In hun ogen trof Elvis een onvermijdelijk noodlot, hij werd in de armen gedreven van de mammon, die vooral de gestalte aannam van zijn louche manager ‘kolonel’ Parker.

Een verleidelijke visie, maar toch valt er een relativerende kanttekening bij te plaatsen. Want hoeveel Amerikaanse artiesten zijn er wel niet die ook met de geldgod in aanraking kwamen, maar toch kwaliteit bleven leveren? De lijst is onafzienbaar en bevat ongelijksoortige grootheden als Frank Sinatra, Bob Dylan en Ella Fitzgerald, om het tot de zang te beperken.

Het is alsof Jarecki ook zelf onzeker is over de juistheid van zijn opvatting, want hij haalt zoveel overhoop om het onbewijsbare te bewijzen dat zijn film, hoe boeiend soms ook, een rommelige indruk maakt. Ik had liever gezien dat hij zich had beperkt tot een minstens zo interessante vraag: hoe komt het toch dat we ruim veertig jaar na zijn dood nog altijd gefascineerd zijn door het fenomeen Elvis? Zijn huis, Graceland in Memphis, is met een half miljoen bezoekers per jaar na het Witte Huis het meest bezochte woonhuis-museum van Amerika.

Voor het antwoord op die vraag heb ik de recente – uit 2016 – biografie van Ray Connolly geraadpleegd: Being Elvis – A Lonely Life. Een nuchter, inzichtelijk boek. In zijn voorwoord herinnert hij zich dat hij Dylan in 1969 aan de telefoon had en dat die pas spraakzaam werd toen hij merkte dat Connolly de comeback van Elvis in Las Vegas had bijgewoond. „Werkelijk? Was jij daar? Hoe was-ie?”

Dergelijk ontzag toonden ook de Beatles toen ze in 1965 Elvis opzochten. Vooral John Lennon was aanvankelijk zo verlegen dat hij nauwelijks zijn mond opendeed. Al deze artiesten moeten zich schatplichtig aan Elvis hebben gevoeld, vooral aan Elvis als rocker. Toch heeft Elvis zelf nauwelijks songs geschreven, hij voerde uit wat anderen hadden gemaakt. Vergelijk dat eens met de creativiteit van Dylan en de Beatles!

Volgens Connolly had Elvis een ander machtig wapen waarmee hij al zijn concurrenten overtrof: zijn stem. „Dat was zijn gave en zijn aantrekkingskracht.”

Het is een verklaring voor het succes tijdens zijn leven, maar niet voor de blijvende aandacht erna van het publiek. Misschien moeten we hem meer vergelijken met Marilyn Monroe, die ook beroemd is gebleven. Hun beider leven had een tragiek die pas laat aan de oppervlakte kwam. Zó beroemd en zó ongelukkig – daar lusten wij wel pap van.

    • Frits Abrahams