Recensie

Na twintig jaar huwelijk verlaat zijn vrouw hem voor een ander (●●●●●)

Geir Gulliksen

De roman Het verhaal van een huwelijk is een minutieus portret van samenzijn en teloorgang. De door Geir Gulliksen beschreven intimiteit is zo groot dat je je bijna bij het echtpaar in bed waant.

Illustratie www.plainpicture.com

Geir Gulliksen (1963) schreef romans, kinderboeken, poëzie en toneelstukken. Redacteur is hij eveneens (regelmatig wordt, nog eerder dan Gulliksens veelzijdige oeuvre, vermeld dat Karl Ove Knåusgard ‘van hem’ is). Schijnbaar heeft hij zijn volledige palet aan vaardigheden ingezet om Het verhaal van een huwelijk te schrijven. Dat is de enige manier, natuurlijk: van alle verhalen is dat van een huwelijk, dat van de (in duigen vallende) liefde, het vaakst vertelde. Het gegeven raakt nooit sleets, het geschrevene des te vaker. De vorm die de Noorse romancier Geir Gulliksen ervoor vindt is bewonderenswaardig.

‘Alleen wij tweeën geloofden in wij tweeën’, tekent de verteller van Het verhaal van een huwelijk op: ‘Maar we vatten onze taak serieus op. Het was een slecht verhaal, dat langzamerhand een goed verhaal werd.’ Aan het woord is Jon, die ooit zijn vorige vrouw verliet voor zijn huidige echtgenote, maar haar nu, twintig jaar later, op zijn beurt verliest aan een ander.

Jon spreekt niet alleen voor zichzelf, maar ook voor zijn vrouw die de koosnaam Japie draagt. Hij stelt zich voor hoe ze naar haar werk fietst, leeft als hij er niet bij is, hoe ze tegen wil en dank valt voor de man die hij (niet zonder wrok) ‘Harald Handschoen’ doopt. Teder zijn die voorstellingen: ‘Die ochtend hield ze een lezing voor het personeel van een of ander ministerie. Het ging goed, ze merkte dat ze hun aandacht had (hun gezichten: die waren op haar gericht, zoals groene planten zich ’s morgens richten naar het licht)’.

Hijgerig moment

Gevaarlijk zijn ze ook. Niet wéér toch, een man die wel even uitlegt hoe het werkt bij zijn/de vrouw? Jon geeft ruiterlijk toe dat hij tot zijn frustratie niets anders kan doen dan hineininterpretieren, roept zichzelf als hij uit de bocht vliegt tot orde. Zo volgt na een wat hijgerig moment – zijn vrouw betast zichzelf voor de spiegel in de toiletruimte van kantoor, welja – een verfrissende bekentenis: ‘Kan het zo zijn gegaan? Nee, ik ga te ver; het zegt allemaal iets over mezelf, over mijn repertoire, mijn hardnekkige register, niet over haar.’ Hij kan haar niet helemaal vangen. Hij weet ook dat wie ze was (wie ze waren!) binnen hun huwelijk, niet meer bestaat. En dat huwelijk? Dat was er een waarin ze ‘zo’n onderlinge soepelheid [hadden] bereikt dat we alles konden delen. Dachten we.’

Harald Handschoen is helaas niet deelbaar. Het is een man waar Jon niet op zou kunnen vallen. En een man die alles in Japie wat voorheen naar Jon gericht was, naar zich toe trekt. Er blijft niks over.

Hoewel: Jon blijft over, alleen met zijn observaties, fantasieën en herinneringen. Over hoe ze samen niet op alle anderen wilden lijken, maar de verhoudingen scheef kwamen te liggen toen hij thuis ging werken. Hoe graag hij wilde dat er ruimte was, eindeloze ruimte, voor alle soorten liefde, maar bevangen werd door ordinaire jaloezie. Hoe hij opzag tegen een gesprek met buren, waarin hij niet de man is die hij zou willen zijn: ‘Dus draaide het erop uit dat wij de mannelijke vorm van menselijke gedachtewisseling beoefenden: wij hielden korte lezingen voor elkaar over diverse onderwerpen.’ Dat de akelig sportieve Harald Handschoen al helemaal geen man als Jon was.

Het verhaal van een huwelijk is zo’n minutieus portret van samenzijn en teloorgang dat je je haast tussen de twee echtelieden in waant – ook in bed. Tegelijkertijd is het een intelligente bespiegeling op hoe zo’n verhaal verteld wordt, zonder in koketterie te vervallen. Want hoewel Jon behoorlijk meedogenloos over zichzelf kan oordelen, laat Gulliksen hem geen pure zelfhater worden. Er is zelfspot, maar niet ongelimiteerd. Er is reflectie, maar geen vernietiging, geen deconstructie. Daarmee vermijdt Gulliksen sierlijk het moerasje waarin schrijvers van (autobiografische) fictie niet zelden afzinken: niet zielig willen doen, maar zo hardvochtig of buitensporig analytisch omgaan met (eigen) pijn en stommiteiten dat de uitkomst in feite is dat de lezer een dúbbelzielig, nogal pathetisch karakter geserveerd krijgt – een personage dat niet alleen verzwolgen wordt door pijn, maar ook door een innerlijke criticus.

Autobiografisch

Het is bekend dat Geir Gulliksen de roman schreef na het uiteenvallen van zijn eigen huwelijk. Eigenlijk zou dat autobiografische gegeven in dezen irrelevant moeten zijn. Een liefdesgeschiedenis is in zekere zin altijd universeel te noemen: als je zelf nooit je hart gebroken zag of dat van een ander aan gruzelementen hielp, heb je er tenminste muziek over gehoord, films gezien, boeken gelezen.

Wat Gulliksen zo meesterlijk voor elkaar krijgt is op een of andere manier een analytische afstand nemen – van dat wat iedereen kent – zonder dat het verhaal inboet aan intimiteit. Hij leidt zijn lezers aan een warme hand van het universele het particuliere in (‘een’ huwelijk, niet ‘het’). Want dat Grote Verhaal van de Liefde kennen we wel.

Wat het geheel karakter geeft is ook het waanzinnige stilistische vernuft van de auteur. Gulliksen heeft van Jon goddank een schrijver gemaakt; hij schrijft vanuit zichzelf, aan zichzelf, vanuit zijn oudste zoon, vanuit en aan Japie. Hij schrijft brieven, dialogen, monologen. Al die tijd blijft de vertelling soepel. Geen gekunstelde stijlpuzzel, maar een liefdevol, slim, stekelig en soms zelfs droogkomisch relaas.

    • Roos van Rijswijk