Opinie

    • Coen Simon

Ik raad volkscultuur van harte aan – maar niet voor de kunst

Cultuur Meer geld voor volkscultuur levert meer wanstaltige kunst op én minder saamhorigheid, schrijft
BZN in de beeldentuin van het Kröller-Müller Museum. Foto Pim Westerweel/ANP

Toen ik mij dertien jaar geleden in het Noord-Groningse Onderdendam vestigde, ontdekte ik de hartverwarmende functie van volksvermaak. In het dorpsblad het Nijsjoagertje stond een oproep aan muzikanten om mee te doen aan de jaarlijkse Nijjoarsveziede, een Groningse nieuwjaarstraditie waarbij het afgelopen jaar op theatrale wijze wordt gememoreerd, bezongen en op de hak genomen.

Als zoon van een huisarts en een lerares Nederlands had ik niet veel ervaring opgedaan in de volkscultuur. En dus begaf ik mij met de nodige reserves naar de kennismakingsavond. De hartelijkheid waarmee ik met mijn accordeon door de dorpelingen werd ontvangen won het onmiddellijk van mijn huiver voor plat vertier en smakeloosheid. Een betere introductie in een kleine gemeenschap kun je je nauwelijks wensen. Ik kan het iedereen aanraden, althans voor de saamhorigheid, niet voor de kunst.

Tweede Kamerlid Thierry Aartsen kreeg deze week weinig bijval voor zijn uitspraken over cultuur. „In Den Haag lijkt het alsof alleen hoge cultuur bestaat”, zei hij in een interview met de Volkskrant, „daar krijg ik jeuk van”. Daarom zou hij bij de behandeling van de cultuurbegroting afgelopen maandag namens de VVD voorstellen om meer geld uit het Fonds voor Cultuurparticipatie naar volkscultuur te laten gaan. En na 2021 bovendien structureel meer geld van landelijke professionele instellingen naar regionale amateurinitiatieven. Want „het moet eerlijker”, volgens Aartsen. „Er gaat 7 miljoen euro naar het Concertgebouworkest dat 210.000 bezoekers trekt. En nul euro naar het bloemencorso, waar op één dag een miljoen mensen heengaan. Dat vind ik raar.”

Tweespalt

Veel opiniemakers, bestuurders van culturele instellingen en ook de minister van Cultuur Ingrid van Engelshoven (D66) verweten Aartsen tweespalt te zaaien tussen elite en volk, op grond van een valse tegenstelling tussen hoge en lage cultuur. Want, zo stelde ook het commentaar in deze krant, een internationale topinstelling als het Concertgebouworkest kan het niet zonder een breed gedragen en dus volkse basis. „Geld voor cultuur moet zowel aan de top als aan de basis besteed worden.”

Lees het Commentaar van NRC: VVD propageert valse tegenstelling tussen hoge en lage cultuur

De tweespalt mag hem verweten worden, en Aartsens tendentieuze tegenstelling tussen tussen elitaire chlablisdrinkers en saamhorige carbidschieters is grotesk, maar de echte hete aardappel durft geen van de partijen in deze discussie in de mond te nemen: de vraag wat kunst en cultuur hoogstaand maakt.

Die vraag is door de individualisering naar de achtergrond verdwenen. Omdat ieder voor zich mag weten wat hij of zij waardeert is het gesprek over de inhoud van cultuur verstomd. Cultuur is er om geconsumeerd te worden. De media etaleren het cultuuraanbod, maar de klant is zelf koning over zijn eigen esthetische opvattingen, waardoor er bij cultuur niet meer over inhoud maar alleen nog over de samenbindende functie wordt gesproken.

Volkscultuur is een slap aftreksel van hoge kunst. Het verwijst naar het echte werk met het oog op gezelligheid

„Bolkestein sprak van het bezielend verband, dat wat de samenleving bijeenhoudt”, hamert Aartsen. „Als het bij de schutterij met iemand wat minder gaat, dan steunt de omgeving. Mensen zorgen voor elkaar. Je kunt er kneuterig en lacherig over doen, maar doe dat lekker met je chablis-tje in het Concertgebouw. Niet in Den Haag.” Hoewel Merlijn Kerkhof in zijn column in de Volkskrant de cultuuropvatting van Aartsen belachelijk maakt, kiest ook hij uiteindelijk voor het samenbindende criterium: „Is het idee van subsidie van zo’n operahuis niet dat daardoor de entreeprijzen redelijk blijven en je er dus ook heen kunt als middenklasser uit, zeg, Breda?” En ook het commentaar in deze krant wil saamhorigheid en bekommert zich dus om „de mensen die het minder breed hebben”, die worden „hiervan de dupe: zij kunnen ongesubsidieerde toneelstukken, musea, klassieke concerten en opera’s niet betalen.”

Maar voor de behandeling van de cultuurbegroting moet het niet alleen over samenbinden gaan, maar juist over het verschil tussen de beeldentuin van het Kröller-Müllermuseum en het sprookjesbos van de Efteling. Aartsens esthetica kan dat onderscheid niet maken: „Bij cultuur gaat het om prikkelen, verbroederen, uitdagen. Dan is er geen verschil tussen corso en ballet.”

Maar er is wel degelijk een doorslaggevend esthetisch onderscheid te maken tussen corso en ballet, Efteling en Kröller-Müller, Shakespaeres Midzomernachtdroom en een Groningse Nijjoarsveziede. Het verschil tussen kunst en volksvermaak heeft te maken met de soorten emoties die ermee corresponderen. In beide gevallen ontstaan weliswaar aangename gevoelens, maar die globale overeenkomst bestaat er ook tussen warme snacks en goede seks. En die gevoelens scheren we ook niet over een kam.

Belangeloze verwondering

Het verschil is dat echte kunst een gevoel van belangeloze verwondering opwekt, terwijl volkscultuur warme gevoelens van gezelligheid aanwakkert. En van dit verschil maakt volkscultuur juist gebruik. Want zonder dedain moeten we vaststellen dat volkscultuur een slap aftreksel is van hoge kunst. Het verwijst naar het echte werk met het oog op een ander doel: gezelligheid. De Nijjoarsveziede in Onderdendam verwijst naar echt groot toneel en zelfs de meest professionele fanfare verwijst in de verte naar de excellente muziek van de grote orkesten. De gezellige saamhorigheid zit ’m juist in het naspelen van het echte werk én in het gedoe om het ieder jaar met knip-en-plakwerk en de financiële steun van de plaatselijk bakker en slager weer voor elkaar te krijgen.

Aartsen beseft niet dat hij de samenbinding die hij wil bevorderen, om zeep helpt met zijn voorstel voor meer geld voor volkscultuur. „Over de verdeling hoeven we in Den Haag niet te gaan, dat doen commissies met mensen die daarvoor hebben doorgeleerd.” Kortom, het volk zelf hoeft niet meer samen te komen voor zijn cultuurproductie. Meer geld naar volksvermaak zorgt zodoende hooguit voor meer professionele slappe aftreksels, en minder saamhorigheid.

    • Coen Simon