Het is onduidelijk wie we moeten vertrouwen

Wantrouwen Het vertrouwen in instituties is internationaal bezig aan een gestage daling. In Nederland valt het mee, al scoorden de regering en de Tweede Kamer in 2017 wel laag.

Premier Rutte en minister Koolmees (Sociale Zaken) in gesprek met de oprichters van een koffiebar voor jongeren met een afstand tot de arbeidsmarkt. Dat het institutionele vertrouwen niet sterk afneemt kan onder meer komen door de economische groei van de afgelopen jaren. Foto Lex van Lieshout/ANP

‘Het verspreiden van wantrouwen is het ultieme wapen van autoritaire leiders.” De Amerikaanse historicus Timothy Snyder, auteur van het recente The Road to Unfreedom, maakte vorige week in een uitverkochte Balie in Amsterdam heel wat grappen, maar zijn boodschap was ernstig. Democratieën staan onder druk, autoritarisme is ineens „sexy” en het wantrouwen onder de bevolking neemt toe, zei hij.

Dat laatste hoor je vaker. Onderzoeksbureau Edelman, gespecialiseerd in het onderzoeken van vertrouwen, sprak vorig jaar zelfs van een wereldwijde „implosie van vertrouwen”: het vertrouwen in overheden, media, ngo’s en bedrijfsleven was nog nooit zo sterk gedaald in de zeventien jaar dat Edelman er onderzoek naar deed.

Daarbij moet opgemerkt worden dat afname van het vertrouwen niet hetzelfde is als toename van het wantrouwen. Paul Dekker, die voor het Sociaal en Cultureel Planbureau (SCP) al jaren de stemming van het volk onderzoekt, legt uit: „Als mensen weinig vertrouwen hebben in de politiek, dan bedoelen ze meestal dat politici niet competent zijn of dat ze hun beloftes niet nakomen, maar niet per se dat ze slechte bedoelingen hebben. Dat laatste zou duiden op wantrouwen.”

Maar dat het vertrouwen onder de bevolking daalt, is op zichzelf genoeg reden tot zorg. Een democratie functioneert alleen wanneer we een minimum aan vertrouwen hebben in onze instituties en in elkaar.

Dat onderscheid maken onderzoekers ook. Het vertrouwen in de medemens heet sociaal vertrouwen, en dat is in Nederland relatief hoog: zo’n 60 procent van de Nederlanders vindt andere mensen over het algemeen te vertrouwen. In Europa scoren alleen de Scandinavische landen hoger.

In de meeste onderzoeken is zelfs een kleine stijging te zien in het sociale vertrouwen. Hans Schmeets, die bij het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS) onderzoek doet naar vertrouwen, vermoedt dat dit komt door het groeiende aandeel hoogopgeleiden binnen de bevolking: onder hen is het sociale vertrouwen een stuk hoger dan onder laagopgeleiden (73 versus 47 procent, aldus het SCP in 2015).

De inwoners van Delfzijl hebben het minste vertrouwen in hun medemens, berekende het CBS. Lees ook de reportage: Van alle mooie beloften zien ze hier weinig terug

Gestage daling

Het vertrouwen in instituties is ondertussen bezig aan een gestage daling. In Nederland valt het nog mee, aldus onderzoeksbureau Edelman: in 2018 heeft 54 procent van de bevolking vertrouwen in de instituties, een imposante score vergeleken met bijvoorbeeld de Verenigde Staten (43 procent) en het Verenigd Koninkrijk (39 procent).

Het SCP, dat jaarlijks onderzoek doet naar de gemoedsgesteldheid van de natie, rapporteert van 2008 tot 2017 weliswaar flinke fluctuaties, maar over het algemeen toch een lichte daling in het vertrouwen in zeven instituties. Vooral de regering en de Tweede Kamer scoorden in 2017 laag: zo’n 47 procent. Kranten, televisie, vakbonden, rechtspraak en grote ondernemingen zaten allemaal tussen de 60 en 65 procent.

Opvallend: de cijfers van het CBS verschillen nogal van die van het SCP. Bij het CBS heeft bijvoorbeeld in 2017 maar 32 procent van de Nederlanders vertrouwen in de pers, terwijl het SCP relatief hoge scores meldt voor kranten en televisie (rond de 65 procent). Dat komt door de vraagstelling, zegt Paul Dekker van het SCP. „Kranten en televisie hebben een vrij neutrale uitstraling. Vraag je naar journalisten, dan wordt de score al wat lager. Het is niet per se gunstig als ze zich er een mens bij voorstellen.” Schmeets van het CBS bevestigt dat: „Het woordje pers heeft een negatievere lading dan de woorden kranten en televisie. Elke variatie in woordkeuze levert andere cijfers op.”

Het heeft daarom geen zin verschillende onderzoeken met elkaar te vergelijken, zegt Dekker. Wél nuttig is het om te kijken naar veranderingen in de tijd of verschillen tussen groepen binnen hetzelfde onderzoek. Interessant is bijvoorbeeld het grote vertrouwensverschil tussen hoog- en laagopgeleiden. Hoogopgeleiden hebben een (veel) hoger vertrouwen in alle instituties, behalve in de banken.

Het is dus niet zozeer de daling van het vertrouwen, maar de vertrouwenskloof die opvalt, zegt Paul Dekker. Dat het institutionele vertrouwen ondanks die vertrouwenskloof niet sterk afneemt, komt volgens Dekker door de economische groei van de afgelopen jaren.

Zeggen en doen

Maar niet iedereen slaat zo’n relativerende toon aan. „Als je naar het SCP en CBS kijkt, zie je dat het vertrouwen groot is, niks aan de hand”, zegt Gabriël van den Brink, emeritus hoogleraar bestuurskunde. „Maar die onderzoeken worden meestal gedaan door middel van enquêtes, en wat mensen zeggen komt niet één op één overeen met wat ze voelen en doen. We moeten kijken naar lange-termijntrends, en naar wat mensen doen. Wat kiezen ze bijvoorbeeld? Dan zien we dat er wel wat is gebeurd, kijk maar naar de opkomst van het populisme.”

Van den Brink werkt aan een essay over de menselijke natuur, dus een analyse van het contemporaine wantrouwen heeft hij zo paraat. Er is, kort gezegd, een „mismatch” tussen de aard van de mens en de inrichting van het moderne leven, zegt hij. Vroeger wisten mensen wie ze konden vertrouwen: omdat het leven kleinschaliger was georganiseerd, wisten ze wie waarvoor verantwoordelijk was. In de moderniteit en zeker sinds de jaren tachtig is onze wereld steeds grootschaliger en bureaucratischer geworden. In zo’n anoniem systeem is het niet makkelijk om grip te krijgen op de wereld, zegt Van den Brink. „Als er iets ergs gebeurt, zitten mensen altijd met de vraag: wie heeft het gedaan? Als er geen duidelijk antwoord komt, gaan ze complottheorieën bedenken.”

Wat het wantrouwen volgens Van den Brink verder versterkt, is dat er over belangrijke ontwikkelingen geen keuzes lijken te bestaan. „Globalisering, informatisering, de uitbreiding van de EU, Engels spreken aan de universiteit: het is zogenaamd allemaal onvermijdelijk”, zegt hij. „Dat is dé manier om de argwaan te wekken of te versterken.”

Dat lijkt inmiddels ook tot de politiek doorgedrongen. Over bijvoorbeeld schaalvergroting, regeldruk en internationale verdragen is veel meer politiek debat dan een aantal jaar geleden. Of dat ook leidt tot meer vertrouwen, valt nog te bezien.

Reageren

Reageren op dit artikel kan alleen met een abonnement. Heeft u al een abonnement, log dan hieronder in.

    • Floor Rusman