Recensie

Hanne Arendzen is imponerend in ‘Van de koele meren des doods’

Regisseur Ger Thijs maakte een vlotte toneelbewerking van de roman Van de koele meren des doods, over het tragische leven van Hedwig. Maar de zwartste randen van de innerlijke turbulentie van het hoofdpersonage blijven uit zicht.

Hanne Arendzen en Vincent Croiset in Van de koele meren des doods in de bewerking en regie van Ger Thijs. Foto Ben van Duin

Ben ik een goede vrouw, vraagt Hedwig zich af. Het is de vraag die haar voortdurend kwelt, aan haar opgedrongen door de mannen om haar heen. Haar vader, die weduwnaar wordt, noemt haar blik streng – omdat hij drinken verkiest boven zorgzaamheid. Haar jeugdliefde verspreidt wraakzuchtig naakttekeningen van haar – omdat ze niet met hem wil trouwen. De pianist wil haar beminnen, terwijl ze al met een ander getrouwd is. Haar verlangens botsen met haar schuldgevoel.

In zijn grootse, antiburgerlijke roman Van de koele meren des doods beschreef Frederik van Eeden in 1900 een fijnzinnig psychologisch portret van een vrouw die even hartstochtelijk als wanhopig door het leven trekt. Op zoek naar grote, meeslepende liefde struikelt Hedwig Marga de Fontayne over benepen moraal en beklemmende tradities. In de vlotte bewerking van regisseur Ger Thijs ligt de nadruk op de psychologie. Sleutelscènes volgen elkaar snel op, zonder veel tijd te verspillen aan context.

Halfslachtige waanzin

Hedwig krijgt al jong een naam als slet, vindt een uitweg bij een ridderlijke man die helaas platonische liefde voorstaat, en verlaat hem voor een andere man. Ook die liefde raakt bedorven. Waarna het ongeluk haar zo hard treft dat ze gek wordt. Daarbij past Thijs een kunstgreep toe: Hedwig kijkt vanuit haar ziekbed terug op haar leven. Waarom is onduidelijk. De momenten die haar toekomstige waanzin aankondigen, zijn halfslachtig uitgevoerd.

De bloemrijke taal van Van Eeden schemert nog maar lichtjes door in de herschrijving van Thijs, zoals wanneer het woord ‘verflensen’ opduikt. Van Eeden beschrijft de spanningen tussen Hedwig en haar echtgenoot zo: ‘Bij haar was een deel van haar zielswezen door prikkeling overmatig toegenomen, zoodat het haar veel te veel vervulde en al te belangrijk scheen, bij hem was hetzelfde door plotselinge, heftige terugwerking verkleind en verkommerd, en ver onder natuurlijke verhouding achter-gebleven.’ Bij Thijs heeft Hedwig het soms helemaal ‘gehad’ met de liefde.

De attractie van deze toneelbewerking ligt voor het grootste deel in het spel van Hanne Arendzen, die Hedwig imponerend gestalte geeft. Alle schakeringen van emoties waar Hedwig in schiet, verbeeldt ze indringend. Ze treft de onrust van Hedwig door naadloos van scherts naar ernst en van smachten naar zelfverwijt te schakelen. Ze kan ratelen én met geslagen blik in de verte staren, en dat geeft haar personage de benodigde diepte.

Toch lijkt Arendzen in deze regie niet alle ruimte te krijgen om tot uitersten in haar emotionele uitbarstingen te komen. De allerzwartste randen van Hedwigs gemoed worden door Thijs vermeden – haar innerlijke turbulentie, die gepaard gaat met diepe eenzaamheid en neerslachtigheid. De vlotheid werkt ook vervlakking in de hand.

Het omgooien van het verhaal wreekt zich in de koortsige fase waarin Hedwig haar verstand lijkt te verliezen. Haar ineenstorting wordt klinisch en haastig afgewerkt. Waarmee de voorstelling doorslaat in haar poging een complex en tragisch vrouwenleven behapbaar te maken – de waanzinsaria blijkt verpakt in vershoudfolie.

    • Ron Rijghard