Recensie

Een bundel vol geslepen taal en sluipende spanning

Maria Barnas In haar vijfde dichtbundel grossiert Barnas in scherpe waarnemingen. En tegelijk zijn die een probleem: datgene wat waargenomen wordt, blijft toch op afstand.

Foto Jean Landry/ Getty Images

Maria Barnas (1973) opent haar nieuwe bundel Nachtboot met het vierdelige titelgedicht. Vanaf de eerste regels is duidelijk hoe scherp haar waarneming is, zonder dat ze het waargenomene ontdoet van zijn mysterie: ‘Ik zag een schip dat het diepste zwart / vervoert waarin iets opflakkert // als een gezicht in een herinnering.’ Het tweede deel opent poëticaal en voegt een extra laag toe aan die beginregels: ‘Ik beweeg me tussen een boot en hoe deze is beschreven. / Tussen deze boten is ruimte.’ Die mysterieuze ruimte zal er altijd zijn, hoe hard de dichter ook poogt die discrepantie tussen het waargenomene en de beschrijving te overbruggen: ‘Vanaf mijn stoel is een werkelijkheid zichtbaar – / kom ik deze nader als ik mijn stoel naar voren schuif?’

Hanenpoten

Hoewel het gedicht voorafgegaan wordt door een citaat van Hendrik Marsman (‘De eenzame zwarte boot / vaart in het holst van de nacht / door een duisternis, woest en groot’), moest ik vooral denken aan een ander gedicht uit dezelfde tijd, namelijk Paul van Ostaijens ‘Melopee’. Gefocust op vloeiende bewegingen en verschuivingen probeert hij eveneens het filosofische probleem van de afstand tussen taal en het beschreven object te dichten.

Lees ook het interview met Maria Barnas: ‘In een gedicht ben ik het meest thuis’

In ‘Het schip Werkelijkheid’ keert het maritieme motief terug: ‘Later zal ik met hanenpoten Werkelijkheid / kalken op de boeg van dit schip. Onverstoorbaar / kijken naar wie mij voorbij ziet hikken en knikken.’ Zorgt het op het schip gekalkte woord Werkelijkheid voor méér nabijheid? Barnas geeft geen uitsluitsel, maar wel een hint, getuige de voorafgaande regels: ‘Elke gedachte die ik vorm / een klont die ik gooi naar de oever die opdoemt / langs de rivier. Ik blijf mikken.’

Dezelfde sluipende spanning is de hele bundel lang voelbaar – het maakt niet uit welke situatie Barnas tot uitgangspunt neemt. Of het nu op station Sloterdijk is (‘Al zou ik weigeren op de roltrap te stappen // andere benen dragen me de diepte in.’) of hoe je waargenomen wordt door de ogen van een minnaar in het ‘Ik lig hier zalig’:

Ik zie mezelf liever wel en liever

niet door de ogen van de minnaar

die ik liever wel en liever niet

de mijne noem want wat bezit ik

hier en wie wanneer mijn lichaam

sporen draagt vorm krijgt vormen

door het kijken naar haar die ik

liever wel en liever niet de minnares

noem want zij is van mij zoals ik hem

steeds meer toebehoor en niet.

Maria Barnas, die vier eerdere dichtbundels publiceerde en drie romans, haalt voor haar ragfijne beschrijvingen het beste uit de taal. Haar beelden en gedachtegangen zijn uitermate precies geformuleerd en daardoor vol reliëf. Maar door die werktuiglijke inzet is er voor de taal slechts een bijrol in Nachtboot. De taal is zo gepolijst dat de beklemming van de fundamentele twijfel en afstand niet verzilverd wordt. Nog voor de implicaties van het mysterieuze zich goed en wel hebben laten aflezen, is de spanning alweer weggeëbt. De taal is te clean om de beschreven situaties naar een hoger plan te tillen.

De regels hierboven maken dat duidelijk: de verschuiving in perspectief, de complexiteit van ogenschijnlijk overzichtelijke en alledaagse situaties, had in de taal even sterk gerealiseerd moeten worden als in de inhoud.

Concreet tafereel

Je moet Barnas echter nageven dat het sterk de vraag is of een scherper geslepen taal dat wel voor elkaar had kunnen krijgen. Het gedicht ‘Landschap zonder eigenschappen’ wrikt niet alleen een concreet tafereel open, maar bevraagt ook deze metapositie: ‘Het zijn andermans daden en doden / die zich ophopen voorbij de wazige // randen van ons voorstellingsvermogen. / Weten dat een scherper beeld ondraaglijk is // zoemt rond in de kamer als een mug.’

Vandaar dat Barnas zich op het zachtjes botsen richt: ‘Dit zou voor een toekomst door kunnen gaan / herhaal ik opdat het waar gaat klinken.’

    • Obe Alkema