Opinie

Déze taaltoets maakt het inburgeren niet eenvoudiger

Taalverwerving Strengere taalexamens dienen niet alle nieuwkomers, schrijven en . Dat kan de minister slimmer aanpakken.

Inburgeringsexamen op een ‘toetslocatie’ in Rotterdam. Nieuwkomers hebben drie jaar de tijd om aan hun inburgeringsplicht te voldoen. Foto Marco de Swart

Minister Koolmees (Sociale Zaken, D66) zei vorige week in de Tweede Kamer opnieuw dat de taaleis voor migranten in de inburgering in 2020 van A2 naar B1 moet. Dat kan voor veel inburgeraars totaal verkeerd uitpakken.

A2 en B1 zijn twee van zes taalniveaus op het gebied van luisteren, lezen, schrijven en spreken, die in Europees verband zijn afgesproken. Bij A2 kun je je redden in alledaagse situaties: een boodschap doen, een praatje maken op school en iets over jezelf vertellen. Niet foutloos, maar hulpeloos ben je beslist niet. B1 ligt flink hoger: dan ben je een ‘onafhankelijk spreker’ en kun je de meeste situaties aan. In het nieuwe stelsel wordt B1 in principe de standaard; voor analfabeten komt er een praktisch traject. Inburgeraars moeten alles in drie jaar afronden.

Het is natuurlijk goed als nieuwe migranten en vluchtelingen beter Nederlands leren; bij A2 zijn veel banen buiten bereik. Maar hoe reëel is het verhogen van de taaleis als nu al bijna de helft van alle inburgeraars de A2-examens niet of slechts deels haalt? Dit komt mede doordat de inburgering niet goed is opgezet, zoals het Nationale Ombudsman-rapport Een valse start liet zien. Nieuw beleid is dus goed, maar een hogere taaleis voor vrijwel alle inburgeraars is te kort door de bocht.

Want wat gaat hier mis? Veel deskundigen denken dat taalverwerving niet adequaat getoetst wordt. Die taalniveaus uit het zogeheten Europese Referentiekader (ERK) zijn nooit ontwikkeld om toetsniveaus op te baseren, maar om leerlingen en docenten duidelijk te maken welke stappen zij maken bij het leren van een nieuwe taal. Vooral nieuwkomers die laaggeletterd zijn of weinig onderwijs hebben genoten, hebben moeite met examens die op ERK-normen zijn gebaseerd. De toets is te abstract voor hun alledaagse kennis en ervaringen. Dit geldt zeker voor wat oudere cursisten; bij de toetsen kunnen ze niet laten zien wat ze al kunnen, maar vooral wat ze niet kunnen. Zij zouden meer baat hebben bij het vinden van een (vrijwilligers)baan waarin ze prima kunnen functioneren en gaandeweg bijleren, en mogelijk later diploma’s vergaren.

Lees ook: Past de migrant zich wel genoeg aan?

De examens leiden ook tot grote problemen omdat de inburgeringsexamens verplicht zijn (en blijven) om permanent verblijf te verkrijgen en boetes te ontlopen. Zo wordt inburgering voor velen een barrière. Alwéér zakken betekent steeds een mentale opdonder. Het systeem maakt ook inburgeringdocenten moedeloos. Zij willen maar al te graag dat hun cursisten slagen, met het oog op de verblijfsrechtelijke sancties en boetes. Daartoe geven zij al gauw vooral examentrainingen. Dit is zonde, want met breder onderwijs dan learning for the test zouden zij veel meer resultaten kunnen boeken.

Een ander perspectief is nodig. Wij hopen dat de minister nog eens naar de toetsing kijkt en zich verdiept in alle expertise die hierover bestaat, zoals het internationale LIAM-programma. Inburgeraars zouden ondersteuning moeten krijgen om, naar vermogen, zo goed mogelijk de taal te leren. Hun relatieve vooruitgang en inspanning zouden leidend moeten zijn.

Inburgeraars zijn geen homogene groep en zouden dus niet allemaal hetzelfde eindniveau moeten halen. Sommigen van hen kunnen binnen een paar jaar een WO-opleiding volgen; voor anderen is het een prachtig resultaat als zij zich kunnen redden in het dagelijks leven.

Heleen van der Veld is NT2-docent en bestuurslid Stichting Civic; Tamar de Waal is universitair docent aan de Erasmus School of Law en Civic-voorzitter.

Reageren

Reageren op dit artikel kan alleen met een abonnement. Heeft u al een abonnement, log dan hieronder in.