Foto Merlijn Doomernik

‘De beste egyptoloog is een duizendpoot’

Egyptoloog Maarten Raven

Nederlands bekendste egyptoloog gaat met pensioen. Verwijzingen naar het Oude Egypte ziet hij overal, maar: “na veertig jaar heb ik nog steeds geen goed antwoord op de vraag hoe dat komt.”

Thuis heeft Maarten Raven een kleine collectie ‘egyptomania’, boeken en kunstvoorwerpen die op een of andere manier verwijzen naar het Oude Egypte. „Al duizenden jaren zijn mensen gefascineerd door de Egyptische cultuur. Je ziet het bij de oude Grieken en Romeinen, maar ook in de Middeleeuwen en erna. Zelfs in het Vaticaan zijn nog sporen te zien: Renaissance-schilder Pinturicchio heeft in de pauselijke vertrekken Osiris afgebeeld, waarschijnlijk als onderdeel van een mythische genealogie van Borgia-paus Alexander VI.”

Ook nu nog leeft het oude Egypte volop. „In strips, fantasyboeken, games, maar ook in de vorm van tatoeages.” Boeiend vindt Raven die blijvende belangstelling. „Maar na veertig jaar heb ik nog steeds geen goed antwoord op de vraag hoe dat komt.”

Raven gaat na vier decennia met pensioen gaat als conservator Egypte van het Rijksmuseum van Oudheden (RMO) in Leiden. Zijn liefde voor het land aan de Nijl begon al op de lagere school, vertelt hij. „Op de middelbare school heb ik bèta gedaan, maar de fascinatie voor Egypte is gebleven. In die tijd kon je nog geen egyptologie, maar alleen Egyptische taal- en letterkunde studeren. Mijn vader is toen in Leiden gaan vragen of die keuze wel verstandig was. Ik kreeg het advies om er een tweede studie naast te doen. Dat is kunstgeschiedenis geworden.”

Raven weet niet of hij anno 2018 scholieren nog zou aanraden om egyptologie te gaan studeren, bekent hij. „Er is een kaalslag geweest in Nederland. Vroeger kon je het ook in Groningen, Utrecht en Amsterdam studeren, nu alleen nog in Leiden. En daar is het ook een kwestie van overleven en strategisch opereren.”

De aandacht voor het vak is er nog wel bij jonge mensen, merkt hij tijdens openbare optredens. „Kleine kinderen of hun ouders vragen dan wel eens hoe je egyptoloog kunt worden. Van één jongen, die bij lezingen en kindercolleges met zijn moeder altijd vooraan zat, weet ik dat hij onlangs als egyptoloog is afgestudeerd.”

De ideale egyptoloog is een duizendpoot, weet Raven, zeker als conservator. „Je moet dus iets van filologie weten en teksten kunnen lezen, maar ook kennis hebben van magie en godsdienst – het onderwerp van mijn afscheidstentoonstelling die nu in het RMO te zien is. Zelf was ik vooral kunsthistoricus en archeoloog.”

Schatbewaarder van Toetanchamon

Zijn eerste opgraving in Egypte deed Raven in Sakkara, de necropool dertig kilometer ten zuiden van Kairo. „Dat was meteen raak. Het RMO ging daar voorjaar 1975 graven, en ik en mijn enige medestudent mochten mee als hulpjes. In de maagdelijke zandvlakte bij Sakkara gingen we op zoek naar het graf van Maya, de schatbewaarder van Toetanchamon van wie het RMO al drie grafbeelden in bezit had. In 1843 was het graf al eens ontdekt en van de locatie was een kaart gemaakt. Op basis van die kaart wees onze landmeter een plek aan om te gaan graven.

„Eerst kwamen allemaal vondsten naar boven waarvan we niets begrepen. Op een gegeven ogenblik stak een klein stukje kalksteen boven het zand uit met een tekst. ’s Middags zijn we teruggegaan om de tekst met strijklicht en liggend in het zand beter te kunnen lezen en toen lazen we de naam Horemheb. Die was eigenlijk nog interessanter dan Maya, want hij was eerst generaal van Toetanchamon geweest en later farao. We bleken zijn generaalsgraf gevonden te hebben; als farao heeft hij een tweede graf in de Vallei der Koningen laten bouwen. Maar we hebben kunnen aantonen dat hij niet alleen zijn eerste vrouw, maar ook zijn tweede, zijn koningin, in het generaalsgraf heeft laten bijzetten. Overigens hebben we later het graf van Maya alsnog gevonden; de kaart bleek een foutmarge van dertig meter te hebben.”

Opgravingen in Egypte verliepen heel anders dan hij in Nederland had geleerd, zegt Raven. „Hier werd alles apart ingemeten. In Egypte was dat niet te doen. Ten eerste werd het graafwerk gedaan door lokale arbeiders. Zij verzamelden hun vondsten in mandjes die ze naar ons brachten om te inventariseren. Je wist dus slechts globaal waar iets vandaan kwam. Maar het zand zit ook nog eens zo vol resten dat alles inmeten onmogelijk is.

„Vroeger hadden we alle vrijheid en konden we vondsten meenemen om ’s middags in het opgravingshuis nader te bestuderen. De inspecteur van de Oudheidkundige Dienst kwam alleen in de late ochtend even kijken. Tegenwoordig mogen we niet beginnen voor de inspecteur om 7 uur uit de files bij Kairo is. Hij is er constant bij en ’s middags sluit hij de opgraving af; geen enkele vondst mag van het terrein af. Ik begrijp het wel, maar het vergt nu veel meer organisatie om alles te tekenen en fotograferen.”

Onafscheidelijke hoed

Lees ook Topstukken op expositie over Egyptische goden in Leiden, over de afscheidstentoonstelling van Raven

Tijdens de opgravingen kreeg Raven ook te maken met de onvermijdelijke Zahi Hawass, het legendarische voormalige hoofd van de Egyptische oudheidkundige dienst. Hawass stond bekend om zijn onafscheidelijke hoed, maar misschien nog wel meer om zijn dominante en publiciteitsbewuste optreden. „Toen ik hem leerde kennen was hij nog inspecteur van Sakkara en Gizeh, waar hij alle belangrijke gasten rondleidde. Toen zag je al dat hij boven iedereen uitstak en ver zou komen.”

Als egyptoloog heeft Hawass misschien minder betekend, maar hij heeft wel veel gedaan voor de Egyptische monumentenzorg, zegt Raven. Ook eiste hij van over de hele wereld Egyptische artefacten terug. „Zelf heb ik weinig problemen met hem gehad. Eén keer was hij kwaad op ons omdat we een vondst bekend hadden gemaakt voordat hij het wist. Maar onze brief bleek niet aangekomen, en alles is opgelost.”

Collega’s bij het RMO zijn op den duur overgestapt naar de universiteit, maar dat heeft Raven nooit overwogen, zegt hij. „Nee. Dit was mijn droombaan, waar ik van mijn hobby mijn werk heb kunnen maken. En aan wetenschappelijk onderzoek ben ik niks te kort gekomen. Ik heb 260 publicaties op mijn naam.”

Correctie 26-11: De tentoonstelling ‘Goden van Egypte’ loopt tot 31 maart en niet tot 3 maart, zoals eerder stond vermeld.

    • Theo Toebosch