Opinie

    • Hubert Smeets

Als eieren stenen worden en de staatsmacht weifelt

Straatprotesten zijn er van allerlei kaliber, weet Hubert Smeets. Overheden kunnen maar beter onderscheid maken tussen rellen en grieven.

De Spartacusopstand van linkse revolutionairen in Berlijn, 1919 Foto Wikimedia Commons

Het is schering en inslag: bestuurders die praten over hun eigen voortreffelijke leiderschap en het povere leiderschap van anderen. Er zijn ook cursussen voor. ‘Niet aftreden maar optreden’, luidt het hoofdstuk over de vlucht naar voren. Toplieden komen ermee weg, politici niet. Hun leiderschap wordt getest als knokploegen de straat willen overnemen, al is het maar even.

Het was de rechtse sociaaldemocraat Gustav Noske (1868-1946), de eerste minister voor leger en marine in de Weimarrepubliek (1918-1933), die bijna honderd jaar geleden de bolsjewistische soldatenmuiterijen in enkele Duitse havensteden en de Spartacusopstand in Berlijn hard en dodelijk neersloeg. „Voor laveren was geen plaats meer”, aldus Noske. „Eén moet de bloedhond zijn”.

De katholieke premier Piet de Jong (1915-2016) nuanceerde de bloedhond-theorie vijftig jaar later in meer oudhollandse termen. Terwijl linkse studenten het Maagdenhuis in Amsterdam bezet hielden, zei De Jong in mei 1969 in de ministerraad dit: „Is er slechts sprake van een rel om de rel, dan zal krachtig moeten worden ingegrepen. Bestaan er gerechtvaardigde grieven, dan zal het gezag ruimte moeten geven voor overleg.”

Premier Mark Rutte was deze week, nádat knokploegjes in Brabant even de macht op straat hadden gegrepen, minder eenduidig. „Ik heb helemaal niets met Zwarte Piet-extremisten, ik ben noch voor noch tegen”, zei hij maandag – alsof het nog vrijdag was.

Pas in de Tweede Kamer verklaarde Rutte zich nader. De ‘harde kern’ van PSV, die zaterdag in Eindhoven het verlangen naar eigenrichting had kunnen botvieren, was een stel „doorgesnoven malloten” , zei hij alvorens te verwijzen naar het OM. Sub-chef Klaas Dijkhoff van de VVD trok daarna een conclusie die nieuw licht wierp op de pluriforme democratie waar zijn partij ook voor staat: „van de intocht tot het feest even geen demonstraties”.

Natuurlijk, huisvredebreuk à la 1969, laat staan militaire muiterij als in 1919, zijn van een andere revolutionaire orde dan voetbalvandalen die lucht geven aan verkrachtersfantasieën. Maar toch. Ruttes voorganger De Jong zei over zulk afhoudend leiderschap in mei 1969: „Aarzelingen aan de top planten zich voort door het gehele overheidsapparaat met alle funeste gevolgen van dien.”

Dit doorsijpelen is geen onzin. Als de maatschappelijke consensus onder druk staat – zoals in 1919, 1969 en nu – melden zich spontaan denkers. Van achter hun (notenhouten) bureaus voorzien zij, niet zelden journalisten, academici of kunstenaars, de straat van een actieprogramma en politieke legitimatie. Twitter is anno 2018 hun podium.

Deze ‘organische intellectuelen’ – een term van de Italiaanse communist Antonio Gramsci (1891-1937) – strijden met woorden om de macht in de hogere ideeënwereld, terwijl knokploegen aan de basis het ongepolijste fysieke barricadewerk voor hun rekening nemen.

Zo’n coalitie van schrijftafeldenkers en straatdoeners is niet altijd vrijblijvend. Als eieren stenen worden en de staatsmacht weifelt, kan de maatschappelijke orde kantelen. Niet alleen in het Amerika van Trump, maar ook in Nederland.

Vandaar dat de Nederlandse premier in 1969 onderscheid maakte tussen rellen en grieven. Ordehandhaving is geen simpele vierkantsvergelijking maar, als puntje bij paaltje komt, een politieke keuze. Wie daarvoor wegloopt, heeft te weinig van Noske en De Jong begrepen.

Oost-Europa-expert Hubert Smeets werkt bij het kenniscentrum Raam op Rusland. Hij schrijft om de week met redacteur geopolitiek Michel Kerres over de kantelende wereldorde.

    • Hubert Smeets