Opinie

    • Ellen Deckwitz

Ik hou van mijn zus

‘Dus ik ging gisteravond wandelen. Alleen”, voegt mijn zus eraan toe, alsof ik eerder die dag opzettelijk van de trap ben gevallen, „en het was heerlijk. Fikse wind die ijskristallen in je haar blies, tintelende neusvleugels, geen hond op straat. Nou, en als je dus niemand hebt om mee te kletsen ga je een beetje nadenken. Ik vermoed trouwens dat de meeste mensen vooral met elkaar kletsen om maar niet meer te hoeven nadenken.

„Anyway, de gedachten kwamen op en verdwenen weer, als bellen in een lavalamp. Het was best zen en ik maar wandelen en vanuit het niets drong opeens tot me door dat ik over mijn liefdesverdriet heen ben. Bam! Onaangekondigd! Zomaar! Ik dacht aan haar en was niet meer woedend, noch verdrietig of wanhopig. Op een vrolijke manier onverschillig. Vond haar gewoon een doos, meer niet.

„En weer besefte ik hoe fantastisch ons brein eigenlijk is (en ik vond het altijd al redelijk spectaculair!). We doen wel alsof we grip hebben op onze geest, maar tussen alle therapieën en dagboekgeschrijf door zou je haast vergeten dat de tijd je ook helpt. Dat plots ook iets zomaar voorbij kan zijn waar je tijdenlang mee zat. Net zoals toen oma stierf. Ik was daar een jaar lang dagelijks over in tranen. En toen ik de zomer erna met de jongens kampeerde en ’s nachts naar de wc sjokte, wist ik opeens dat ik het had verwerkt. Ik kon aan haar denken zonder dat het meteen een lawine aan emoties losmaakte. Zonder dat ik mijn wc-rol helemaal fijnkneep.

‘Misschien dat de secondewijzer op een horloge me daarom zo kalmeert. Ze veegt heel langzaam en kalmpjes het verdriet weg. Je geest is, terwijl je het ene na het andere plan bedenkt om je pijn te vergelden, ook de boel aan het uitwissen. Wat ik een enorme geruststelling vind: elke dag verdwijnt je leed een beetje, en dat nog gratis ook!

„En toen ik gisteren door die snijdende wind liep dacht ik, heej. Mijn liefdesverdriet is weg. Poef. Stiekem verdwenen. Hoe ze me heeft vernederd zal ik nooit van mijn leven vergeten, maar het maakt me nu niet meer van slag. Net zoals dat je kan terugdenken aan toen je als kind werd gepest (jij iets meer dan ik, ha ha) (jij vooral door mij, sorry sorry) en dat het je als volwassene niet meer raakt. Ik denk dat dat genezing is: dat je je schouders op kan halen over iets waar je voorheen zwaargewond over was. En daarna gewoon weer heerlijk doorlopen, omdat er eindelijk even niets aan de hand is.”

Ellen Deckwitz schrijft op deze plek een wisselcolumn met Marcel van Roosmalen.

    • Ellen Deckwitz