Recensie

Het hart van Nederland

Boekrecensie De Dam werd het nationale plein van Nederland, maar bleef altijd een rommelig geheel. Nu is er een heerlijk boek vol fraaie beelden en verhalen.

Een van de vele foto’s uit het boek: de noordzijde van de Dam; links van de Nieuwendijk Dam 6, rond 1898 verbouwd tot herenmodemagazijn het Rudolf Hofhuis. In het midden Van Gend & Loos.

„Willen we naar de Dam? Dan gaan we naar de Dam!”, zijn de woorden waarom vakbondsleider Herman Bode nog altijd wordt herinnerd. Bode sprak ze uit op 4 maart 1980 in de grote hal van het Rai-complex in Amsterdam, waar zo’n 15.000 vakbondsleden bijeen waren om te protesteren tegen de ontkoppeling van de uitkeringen en de lonen. Eigenlijk zouden de vakbondsleden op de Dam bijeenkomen, maar in 1980, toen krakers Amsterdam regelmatig op stelten zetten, was het stadsbestuur zo nerveus over welke massabijeenkomst dan ook dat de demonstratie was verplaatst naar de Rai. Toen Bode daar merkte dat de demonstranten toch de Dam wilden, leidde hij een massale tocht naar de Dam. Er gebeurde niets.

De vakbondstocht was de „kernachtige bevestiging van de Dam als het hoofdpodium van Nederland, het Centre Court van de maatschappelijke expressie”, schrijft Fred Feddes in zijn heerlijke De Dam, een met tientallen kaarten, tekeningen, schilderijen en foto’s geïllustreerde geschiedenis van de Dam. In korte en langere stukken beschrijft Feddes, die in 2012 het veelgeprezen 1000 jaar Amsterdam publiceerde, hoe de dam die ergens in de 13de eeuw in de Amstel werd aangelegd, in de 19de eeuw uitgroeide tot het nationale plein van Nederland.

Vaak wordt over Nederland beweerd dat het geen imposante pleinen als het Plaza Mayor of het Plaza Real in Madrid heeft, omdat het nooit machtige koningen heeft gekend die in korte tijd een groot plein in één stijl lieten aanleggen. Dit geldt zeker voor de Dam. Uitvoerig laat Feddes lezen hoe de rivierdam door aanplempingen en overkluizingen in de eerste vier eeuwen van zijn bestaan een niet al te groot, rommelig plein bij een bouwvallig stadhuis was geworden, dat vooral voor markten werd gebruikt en het verkeersknooppunt van de stad was.

Er zijn twee momenten waarop de Dam een zekere grandeur had kunnen krijgen, schrijft Feddes. De eerste keer was in 1648 toen de bouw van het door Jacob van Campen ontworpen kolossale stadhuis begon. Als de Dam toen goed onder handen was genomen, had het een plein kunnen worden dat paste bij een van de machtigste steden ter wereld én bij het gigantische stadhuis dat hier uitdrukking van was. Maar het stadsbestuur liet het bij de sloop van een paar buurten waarvoor het stadhuis in de plaats kwam. Dit had weliswaar tot gevolg dat de middeleeuwse Nieuwe Kerk eindelijk deels aan het plein kwam te liggen, maar ook dat de Dam aan de kant van Van Campens kolos, zeker nu de koning die nauwelijks gebruikt, nog altijd doods is, vindt Feddes.

Na jarenlang aanmodderen had de oostzijde haar bestemming gevonden, al was het Monument ‘niet volmaakt’

De tweede keer was in het begin van de twintigste eeuw toen de snelle groei van Amsterdam een vernieuwing van het plein noodzakelijk maakte. Opnieuw kocht de gemeente veel gebouwen rondom de Dam op voor afbraak. Maar weer werd niet één alomvattend ontwerp uitgevoerd, maar werd de vrijgekomen grond verkocht aan warenhuizen als de Bijenkorf en Peek en Cloppenburg en aan clubs van industriëlen en notabelen. Toen een buitenlandse hotelketen failliet ging tijdens de bouw van een groot hotel aan de vrijgekomen oostkant van de Dam, werd de bouwput eerst een soort moeras en vervolgens een plantsoen. Ten slotte werd hier in de jaren vijftig het Nationaal Monument op de Dam neergezet. „Na jarenlang aanmodderen had de oostzijde van het Damplein haar bestemming gevonden”, schrijft Feddes over het oorlogsmonument, dat hij „niet volmaakt’ noemt.

Vreemd genoeg vermeldt Feddes in zijn rijke, kaleidoscopische geschiedenis nergens de heipaal onder een putdeksel op de Dam waarvan de ronde bronzen kop onzichtbaar het Normaal Amsterdams Peil (N.A.P.) aangeeft. In 1953 werd de N.A.P.-paal voor het Koninklijk Paleis in het hart van Nederland gedreven, waardoor de Dam ook het middelpunt van het Nederlandse waterbeheer werd. Mooi detail is dat de N.A.P.-paal met zijn 22 meter precies even hoog is als de fallische pyloon van het Nationaal Monument aan de andere kant van de Dam.

Maar tegenover dit gemis staat een indrukwekkende reeks verhalen over alles wat met de Dam heeft te maken, van het bloedbad dat leden van de Kriegsmarine een paar dagen na de bevrijding in 1945 aanrichtte onder feestende Amsterdammers tot de Damslapers die in 1970 door mariniers van het plein werden gemept.

De Dam, Fred Feddes, uitgeverij Bas Lubberhuizen, 256 blz., € 49,99.

●●●●

    • Bernard Hulsman