Recensie

Martine Bijl kan licht verwoorden wat loodzwaar is

Leed in literatuur Als Martine Bijl over haar hersenbloeding schrijft wordt het nooit klagerig. Roos Schlikker, die over haar moeders geestesziekte schrijft, weet haar verhaal te weinig vorm te geven om te overtuigen.

Martine Bijl (l) en Roos Schlikker (r).

Een kankerfeuilleton in de krant, een sage over leven met een zwakbegaafd kind, een vader met alzheimer, jijzelf met schurft: wij leven in een openhartige tijd. Er wordt veel geschreven over en ‘vanuit’ ziektes. Wat is de functie daarvan? Dat loopt uiteen van voorlichting tot verwerking, van eredienst tot aanklacht, van troost willen bieden tot zoiets als ‘innerlijke noodzaak’.

Wat het doel ook is, succes lijkt op voorhand gegarandeerd. Veel mensen lezen nu eenmaal graag over rampspoed en beschouwen ‘waargebeurd’ als een reuze aanprijzing. Hoe ‘echter’ iets is, hoe spannender en aangrijpender het wordt gevonden. Lekker duidelijk is op voorhand wat je erbij moet voelen: erg hè, nou, het zal je maar gebeuren.

Die geschoktheid of dat medeleven duurt echter maar kort, wanneer aan wat geschreven staat geen of weinig vorm is gegeven. ‘Het moet waar zijn, en nergens gelogen’, zei Annie M.G. Schmidt. Dat sloeg bij haar op een verhaal over een mannetje in een broodje garnalensalade, of op een vers over een stekelvarkentje dat moet slapen. Maar het geldt evengoed voor alle andere vormen van literatuur: de schrijver moet de lezer meenemen, hem deelgenoot maken. Er zijn meer soorten van ‘echt’. Het draait om stijl, om vorm en zeggingskracht, niet om hoe erg iets op zichzelf al is. ‘Waargebeurd’ is niet goed genoeg.

Wie dat heel goed begrijpt is Martine Bijl. In het najaar van 2015 wist zij zich gelukkig, tot er plotsklaps achter haar ogen ‘een ballonnetje’ knapte. Voor ze het wist werd ze op een brancard het raam uit getakeld: ‘Ik wiegde in mijn allerstilste eentje door de lucht, hoog boven het grind [...]. Het gebladerte van de hoge treurberk ruiste als riet.’

Bijl had een hersenbloeding. Vanaf dat moment stond haar hele wezen op losse schroeven. Ze schrijft erover in Rinkeldekink, een verbluffend boekje. Integer en spitsvondig, nergens larmoyant: Bijl kan licht verwoorden wat loodzwaar is. En juist daardoor komt het binnen. Het is weinigen gegeven zó over persoonlijk leed te schrijven.

Bloemenplaatjes worden hellehonden

Bijl heeft het vermogen zichzelf als een personage waar te nemen. Zij begrijpt hoe ze haar lezer bezielt, benieuwd houdt. Dankzij de zorgvuldige metaforen die zij kiest, met behoud van humor, brengt zij over hoe benauwend, hoe angstwekkend haar situatie is. Ze jammert niet, ze hamert nergens op, ze gebruikt geen grote woorden (maar ook niet per se kleine), ze staat stil en doet, in korte stukjes, verslag. Het is na de hersenbloeding alsof ze haar intrek op een andere planeet heeft genomen. Of ze is zelf een andere planeet.

Illustratie: Tjarko van der Pol

Rinkeldekink is een ontdekkingsreis tegen wil en dank: ‘Ik ken mijn hersens niet, ik heb er nooit over nagedacht.’ Wanen belagen haar, bloemenplaatjes aan de ziekenhuismuur veranderen in beeltenissen van hellehonden. Een demon ‘trok haar lichaam aan als een jas’.

Ergens vanuit een goddank gespaard gebleven hoekje van haar brein doet Bijl verslag van haar ontreddering, het moeizame herstel, de onmacht te accepteren dat het niet meer wordt zoals vroeger. Onderweg zijn extra hindernissen, zoals de taal in de revalidatiekliniek: ‘Het gaat vooral om de termen PLEKJE en GEVEN. Energie. Rugzakje Vol. Rugzakje Leeg. Dat Moet Je Aanvaarden. Geduld. Lief zijn voor jezelf.’ Fletse taal, waar de stijl van Bijl, ondanks alles, sprankelt.

De angst voor het vlekje

Hoeveel stijl en vorm ertoe doen, toont het verschil tussen Bijls boek en Moeder van glas van Roos Schlikker. Schlikker schrijft over de geestesziekte van haar moeder, hun band, het tekortschieten van de GGZ, de plotse dood van haar moeder, het moeizame rouwen nadien. Haar toon varieert van kerelachtig naar sentimenteel. Het is een heel openhartig relaas, wat moed vergt, maar tegelijkertijd lijkt de juiste afstand te ontbreken.

Schlikker werd als kind niet gezien. ‘Met anderen praatte ik niet over mijn moeder. [...] Ik speelde geen mooi weer, ik wás mooi weer. Vrolijk, niets aan de hand.’ Ook op latere leeftijd houdt ze de schijn op, tot de rouw om haar moeder haar overneemt en ze niet langer functioneren kan. Het boek is het verslag van een zoektocht naar haar moeder: ‘Ik leefde met haar, ik leefde met haar mee, en toch heb ik haar nooit volledig kunnen doorgronden. Ik wilde haar verstaan, echt verstaan.’ Ze reist naar de geboortegrond van haar moeder en beschrijft haar levensloop. Maar haar wens is nog niet meteen de onze; zo vergeet Schlikker haar lezers.

Dingen worden meegedeeld, maar niet invoelbaar gemaakt. Haar moeder kon bijvoorbeeld niet van huis met een vlekje op haar blouse. Zo staat het beschreven, maar we voelen de angst voor het vlekje niet. En ook niet de ergernis of deernis van dochter Roos.

Moeder van glas is aangrijpend en schokkend puur door de inhoud, maar stilering ontbreekt en daarmee echte betrokkenheid van de lezer. Schlikker vertelt dat het soms ondraaglijk was, te leven met zo’n moeder, maar kruipt niet echt in dat gevoel. Niet op een manier waardoor de lezer haar hoort, haar ‘verstaat’, meer wil weten. De roep om erkenning en vooral het steeds belijden van de liefde voor haar moeder, zit dat denkelijk in de weg. Spannender zou zijn geweest wanneer hun verhouding echt onder de loep genomen was, en niemand gespaard bleef.

Op momenten dat Schlikker overduidelijk wél een stijlfiguur kiest, voelt dat aan als een kunstgreep. Dialogen met haar gestorven moeder doorsnijden het relaas. ‘Ik heb je in een koffer gestopt’, zegt de dochter tegen de moeder. ‘Mooi is dat’, reageert zij. ‘Hij staat in mijn werkkamer. Oud. Gebutst. Bekrast. Ik vond hem onderaan je trap.’ Maar de moeder weet toch al hoe haar eigen koffer eruitzag? ‘Overal in je huis vond ik met potlood beschreven papiertjes. Hele en halve gedachtes’ – ook dit weet de moeder al, wat het gesprek overduidelijk niet ‘echt’ maakt, in de zin die Annie M.G. Schmidt bedoelde. Het boek is geïllustreerd met die briefjes. Het voelt ongepast ze te lezen, ze zijn moeilijk te ontcijferen en voegen weinig toe.

Rukuitdrukking

Schlikker heeft veel vreselijks meegemaakt, maar het blijft op afstand. Dat geldt ook voor constateringen als: ‘Soms vragen mensen me of ik bang ben dat ik de ziekte ook heb. Toen ze net de diagnose kreeg, ging ik het natuurlijk bij mezelf na.’ Bij dit alles heeft Schlikker ontegenzeggelijk wel vaak groot gelijk. In haar aanklacht tegen de GGZ. En ook wel in inzichten over het leven: ‘“Je krijgt wat je aankunt” zeggen ze. Ik heb dat altijd een rukuitdrukking gevonden. [...] Je krijgt helemaal niet wat je aankunt. Je kunt aan wat je krijgt. En zo niet, dan moet het toch. Verzuipen is geen optie.’

Moeder van glas lezen is vast troostend als je zelf zo’n moeder hebt, of had, of bent, maar het zingt zich niet los. De waarheid wordt in dit boek geen literatuur. Daarvoor moet je bij Bijl zijn. Of bij Schmidt aan de wieg van een stekelvarkentje natuurlijk.

    • Judith Eiselin