Foto: Frank Ruiter

‘Het predicaat elite moet je verdienen’

Marilynne Robinson

Ze won een Pullitzer Prize en correspondeerde met Obama. In haar nieuwe boek pleit Marilynne Robinson voor een herwaardering van het puritanisme. ‘Het predicaat elite moet je verdienen.’

Marilynne Robinson tart iedere categorisering. Ze is een bewonderaar van oneigentijdse figuren als Johannes Calvijn en Thomas Cromwell. Ze won een Pulitzer Prize voor een roman over een dominee op zijn sterfbed, in 2004. Ze correspondeert met Barack Obama, die handgeschreven brieven in laat scannen om haar toe te e-mailen. Robinson: „We vinden allebei dat een brief handgeschreven moet zijn.” Ze is een anachronisme met een enorme schare fans.

Zelf beaamt ze: „Mijn achtergrond is gelukkig zo vreemd dat mensen zich geen enkele voorstelling kunnen maken van wie ik ben. Wie weet nu wat er omgaat in mensen die in Idaho zijn opgegroeid?”

Haar geweldige debuut Housekeeping, uit 1980, over twee meisjes die na de zelfmoord van hun moeder zijn overgeleverd aan een capricieuze tante, betekende meteen haar doorbraak. Haar tweede roman Gilead (2004) liet vierentwintig jaar op zich wachten, maar leverde haar prompt de Pulitzer op. Later volgden nog Home (2008) en Lila (2014) die ook in het fictieve Gilead, Iowa, spelen.

Robinson groeide op in Idaho, ten westen van de Rocky Mountains, en woont sinds een jaar of dertig in Iowa, ten westen van de noordelijke Mississippi. Daar doceerde ze tot voor kort aan de vermaarde plaatselijke schrijfopleiding, die niet in de laatste plaats bekend is door haar desolate ligging, en de vele studenten en schrijvers die het er maar op een drinken zetten – onder wie John Berryman, Raymond Carver en Denis Johnson – dit jaar uitvoerig gedocumenteerd door de eveneens door verslaving geplaagde essayiste en alumna Leslie Jamison (in haar boek Ontwenning).

Maar van clichés over het uitgestrekte Amerikaanse binnenland wil Robinson niets weten: „Ik haat die term, the heartland. Het klinkt alsof alles wat niet West- of Oostkust is bestaat uit goedhartige maar simpele zielen die nu eenmaal op de verkeerde politici stemmen. Alsof er geen enkele variëteit bestaat en iedereen zich de hele dag wentelt in zijn financiële misère, en drank.”

Robinson woont alleen, ze is gescheiden en heeft twee volwassen kinderen. Als ze schrijft loopt ze erbij als een slons, zei ze eens in een interview. Als ze niet alleen is geeft ze lezingen aan de meest prestigieuze universiteiten ter wereld. Nu is ze in Cambridge, waar ze de verzamelde academische staf van de theologie-faculteit toespreekt over Genesis en Exodus – en de onzin om, zoals gebruikelijk in de academie, die teksten te ontleden en per passage te bepalen wie wat in welke periode heeft geschreven.

Zuidelijk Amerika

Die archeologische benadering doet af aan de schoonheid en wijsheid van de tekst, vertelt Robinson aan haar ietwat perplexe publiek, dat ondanks de geleerde toewijding op de faculteit Robinsons lezing wel wat erg vroom en onwetenschappelijk vindt.

Maar Robinson heeft een voorliefde voor onderwerpen die onmodieus aandoen, en dat is geen pejoratief. In haar zojuist verschenen essaybundel, Wat doen wij hier?, waarin veel van haar recente lezingen zijn opgenomen, schrijft zij hoe het puritanisme opnieuw gewaardeerd zou moeten worden. De puriteinen, schrijft Robinson, worden gekarakteriseerd ‘als zwaarmoedige godsdienstfanaten die het leven haten’. Een dergelijke karikatuur doet af aan wat de puriteinen daadwerkelijk hebben betekend in de geschiedenis van de VS, vertelt Robinson later in haar hotel.

„Als liefhebber van vroege Amerikaanse literatuur verdiepte ik me in de puriteinse cultuur omdat daar de grootste schrijvers vandaan kwamen. Tot de Burgeroorlog was het noordoostelijke, puriteinse kwadrant van het land het meest invloedrijk, en vrijwel de enige plek waar boeken werden uitgegeven. En van begin af aan waren ze voorvechters van gelijkheid en overtuigd abolitionistisch. Het is een verarming dat het zuidelijke Amerika nu steeds meer als het oorspronkelijke Amerika wordt gezien. Het wekt de indruk dat slavernij een typisch Amerikaans fenomeen was, terwijl een deel van het land er altijd tegen gekant is geweest.”

Zoiets zegt Robinson niet om de geschiedenis van de VS te vergoelijken, maar om die te nuanceren. En om te tonen dat het anders kan. Dat geldt eveneens voor het kapitalisme, schrijft Robinson, dat in de VS wordt gezien als een Amerikaanse uitvinding, en als de sleutel tot rijkdom en succes, en waarvan het dus onmogelijk zou zijn afstand te doen. „Sinds de Koude Oorlog ervaren veel mensen alleen al de term ‘socialisme’ als een affront. Velen denken dat Karl Marx ageert tegen het kapitalisme in Amerika, terwijl hij het in eerste plaats natuurlijk over Engeland en Duitsland heeft. Hij publiceerde trouwens wel columns in de New York Daily Tribune, wist je dat? Interessant hè.

„Er ontstaan in de loop van de tijd zulke gemuteerde, versimpelde opvattingen van de geschiedenis. Nog zoiets: gratis hoger onderwijs was een heel normaal streven in de 19de eeuw. Nu beschouwt iedereen het als een vreemd, buitenlands idee.” Amechtig, en met Midwest-tongval: „It’s driving me crazy.

U lijkt nog te geloven dat kennis van de geschiedenis, de humaniora, of Bildung zo u wilt, de democratie kan redden.

„Absoluut.”

Ik denk niet dat er nog veel mensen zo denken.

„Dat kan zijn. Maar dat is wel de reden waarom ik schrijf. Alweer geldt: van oudsher werden aan de Amerikaanse universiteiten eerst de humaniora bestudeerd, daarna gingen studenten verder met rechten of medicijnen of wat dan ook.”

Deel van het probleem in uw land lijkt te zijn dat universiteiten zijn voorbehouden aan een kleine groep en gepaard gaan met enorme schulden.

„Ik was laatst op een meisjescollege aan de Oostkust. De professor hield een praatje en liet tig keer het woord ‘elite’ vallen. Ik vroeg aan die man: ‘Waarom heeft u het steeds over elite? Als je negentien bent dan hoor je misschien tot een elite als je tot de top van het kunstschaatsen behoort, maar deze kinderen hebben nog niets bereikt, behalve dat ze kinderen van hun ouders zijn die de school voor hen betalen. Volgens mij moet je het predicaat elite verdienen.’ Maar die professor zei: ‘Wij verkopen het gevoel om tot een elite te behoren.’ Tja. Op de elite wordt afgegeven, maar het is bovenal een magnetische term.

„Die nadruk op elite-universiteiten is vrij nieuw in Amerika. Yale en Harvard waren seminaries voor het grootste deel van hun bestaan. Maar we hebben geweldige openbare universiteiten door het hele land, die zich makkelijk kunnen meten met Yale en Harvard.”

Voor Robinson zijn haar religieuze geloof en haar humanisme onlosmakelijk met elkaar verbonden. Het scheppende vermogen van de mens, kunst, wetenschap, schoonheid, leidt voor Robinson niet tot de gangbare conclusie dat de mens niets aan een god verschuldigd is, maar is voor haar juist reden voor dankbaarheid en ontzag. De mogelijkheden van de scheppende geest, noemt Robinson, met Tocqueville, ‘geschenken die de hemel toevallig uitdeelt’. Haar romans, ontstaan uit het niets, zijn daar in haar ogen steeds weer uitdrukking van.

Foto: Frank Ruiter

Robinson schrijft in een van haar essays: ‘Als de opkomst van het humanisme een soort zonsopkomst was, dan zijn wij nu getuige van een zonsverduistering.’ Het gebrek aan aandacht voor geesteswetenschappen is symptoom van een veel groter probleem, volgens Robinson. Het gebrek aan aandacht voor de kunsten betekent dat er geen besef meer is van wat de mens zoal vermag. De hedendaagse mens heeft een beetje een minderwaardigheidscomplex, suggereert Robinson, vergeetachtig over wat hij allemaal heeft voortgebracht. Dat is de dood in de pot voor alle dromen, de wens om de samenleving te veranderen en het vermogen daar uitdrukking aan te geven.

Ook de angst in de samenleving, lijkt u te suggereren, komt voort uit een verwaarlozing van de humaniora en meer in het algemeen de menselijke capaciteiten.

„Angst is verslavend als een drug. Als je kijkt naar een massa op straat, dan zie je: ja, dat is opwindend. Het is opwindend om een vijand te hebben, of iemand die tegen je samenspant. Een onderzoeker naar samenzweringstheorieën vertelde me onlangs dat die mensen die daarin geloven, toegaven dat ze zich zonder zulke theorieën maar zouden vervelen.” Met een schaterlach: „Dus helpen ze de samenleving maar om zeep, uit verveling! Nee, maar ik denk werkelijk dat de geesteswetenschappen mensen kunnen helpen om hun leven betekenis te geven en hun ervaringen te structureren. Nu creëren mensen vooral structuur door zich in groepen te organiseren, en een ‘ander’ te identificeren.”

U komt in december naar Nederland om te spreken op de Nexus-conferentie, die als thema heeft ‘The battle between good and evil’. Wat gaat u daar vertellen?

„Het probleem in de VS en elders is natuurlijk dat alle groepen zichzelf als de ‘goeien’ beschouwen en de ander als de ‘kwaaien’, wat niet uitnodigt om van gedachten te wisselen. Dus hoewel er zeker dingen in de wereld gebeuren die je als slecht kunt bestempelen, vind ik het politiek gezien gevaarlijk om te spreken over goed en kwaad.”

U bekritiseert hoe iedereen alleen nog maar ideologisch denkt, terwijl lang in de veronderstelling werd geleefd dat we post-ideologisch waren.

„Ik weet dat mensen dachten af te zijn van ideologieën als het communisme, maar feit is dat de ideologische denkwijze zich in onze hersenen heeft genesteld. Ik bedoel daarmee dat mensen van hun eigen abstracte wereldbeeld overtuigd zijn, waar ze meer van afweten dan ze ooit empirisch zouden kunnen aantonen, en daarmee blind worden voor alles wat niet strookt met hun wereldbeeld.”

Maar u zou uzelf toch ook niet als een pragmaticus omschrijven?

„Ik ben een grote bewonderaar van filosoof William James [1842-1910, red.], die een pragmatisme voorstond dat we nu niet meer als zodanig zouden herkennen. Het is een pragmatisme dat erkent dat je kennis van de werkelijkheid altijd onvolledig zal zijn, waardoor je open en ontvankelijk moet zijn voor de wereld. En voor de ander, die een mysterieus innerlijk leven heeft dat je nooit zult kennen.”

Voor William James is dat een religieuze houding.

„Voor mij ook. Zo krijgt de wereld diepte.”

Over religie, zei Marilynne Robinson eens, moet je niet al te concrete uitspraken doen, want dat biedt alleen maar mogelijkheid de religieuze ervaring te falsifiëren. In Housekeeping beschrijft ze het geloof van een van haar hoofdpersonen als volgt: ‘[Het leven stelde ze zich voor] als een weg die men bezig was af te leggen, een tamelijk gemakkelijke weg door een weids landschap, en dat iemands bestemming er van het begin af aan al was, een eind verderop, op een zekere afstand in gewoon daglicht, als een eenvoudig huis waar je binnentrad en werd begroet door fatsoenlijke mensen die je een kamer toewezen waarin alles wat je ooit had verloren of opzij had gezet wachtend bijeenstond.’

Obama heeft gezegd dat uw romans hem hebben veranderd. Schrijft u uw romans om de lezer te veranderen?

„Nee, nee, nee. Ik wil genereus zijn in wat ik schrijf. Ik wil schrijven met het grootste respect voor de lezer. En ik denk niet dat je tegelijkertijd iemand kunt respecteren en iemand kunt proberen te veranderen.”

Wat houdt dat in, genereus schrijven?

„Geen dingen zeggen waarvan je niet denkt dat er enige waarheid in zit. Ik leerde mijn studenten altijd: ga ervan uit dat de lezer slimmer is dan jij, en ga ervan uit dat je lezer een beter mens is dan jij.”

Marilynne Robinson spreekt op 15 december op de Nexus-conferentie in Amsterdam.
    • Nynke van Verschuer