Vroege Mongoolse herder molk al vee

Archeologie Melk goed verteren konden de vroege Mongoolse nomaden niet, maar toch dronken ze het wel. Dat blijkt uit nieuw onderzoek.

Grafheuvel uit de Bronstijd op de steppe in Mongolië. Foto Bruno Frohlich

Nomaden op de Mongoolse steppen begonnen in het tweede millennium voor onze jaartelling al met het melken van vee en het consumeren van melkproducten, terwijl ze niet in staat waren lactose te verteren. Dit is een mogelijke verklaring voor het feit dat deze Mongolen – de voorouders van Djengis Khan – een voorliefde ontwikkelden voor gefermenteerde melk. De bacteriën in deze drank zorgen ervoor dat de lactose al voor consumptie grotendeels is afgebroken. Dit blijkt uit genetisch onderzoek van wetenschappers van het Max-Planck-Institut für Menschheitsgeschichte dat onlangs werd gepubliceerd in PNAS.

Over de genetische achtergrond van Mongoolse herders was tot nu weinig bekend, in tegenstelling tot de nomaden die leefden op de steppe die zich uitstrekt van Oost-Europa tot de Oeral. Deze laatste groep stamde af van een volk dat vanaf 3.300 voor Christus uitwaaierde vanuit het gebied rond de Kaspische Zee. Hun genetische erfenis is tot op de dag vandaag te vinden in het DNA-profiel van mensen in Europa en West-Rusland. Wetenschappers denken dat ze zo succesvol waren omdat ze met hun kuddes op efficiënte wijze het steppegras omzetten in melkproducten, rijk aan vetten en eiwitten.

Om erachter te komen of de nomaden ten oosten van de Oeral verwant waren aan deze westelijke herders, onderzochten de paleogenetici van het Max-Planck-Institut stoffelijke resten uit een grafheuvel in Noord-Mongolië, die behoorde tot de Hertensteencultuur. (Zo genoemd vanwege de met afbeeldingen van herten gedecoreerde stenen die in het gebied zijn aangetroffen.)

In totaal kon aan de hand van de botten van twintig mensen een (gedeeltelijk) genetisch profiel worden gemaakt. Zij leefden tussen 1.380 en 975 voor Christus. Bij negen mensen was voldoende tandsteen aanwezig om te kunnen achterhalen wat ze hadden gegeten en gedronken.

De Mongoolse nomaden bleken genetisch nauwelijks vermengd met nomaden van de westelijke steppe, concludeerden de onderzoekers, terwijl ze al bijna een millennium elkaars buren waren. De Mongolen stamden grotendeels af van jagers-verzamelaars die leefden rond het Bajkalmeer.

Opvallend genoeg bleek uit de analyse van eiwitten in het tandsteen dat ze wel melkproducten consumeerden die afkomstig waren van schapen, geiten en runderen: dieren die op de steppen waren geïntroduceerd door de nomaden uit het Kaspische Zeegebied. De Mongolen namen rond 1.300 voor Christus het pastoralisme van deze herders over, zonder dat ze door hen onder de voet werden gelopen.

Uit de genetische analyse van het botmateriaal bleek verder dat de vroege nomaden de genmutatie ontbeerden die ervoor zorgt dat mensen ook na hun jaren als zuigeling lactose kunnen afbreken. Deze mutatie is wel aanwezig bij de nomaden van de westelijke steppe, en bij de mensen die al in dit gebied woonden en met wie zij zich vermengden. Van de huidige bevolking van Mongolië is slechts vijf procent van de mensen in het bezit van deze genvariant.

Deze uitkomsten werpen interessante vragen op rondom natuurlijk selectie, schrijven de Max-Planck- wetenschapppers. Want terwijl er in Mongolië al ruim drieduizend jaar op grote schaal melkproducten worden gegeten en gedronken, heeft de bevolking zich niet genetisch aangepast aan dit consumptiepatroon. Het lijkt erop dat de Mongoolse gewoonte van het laten fermenteren van melk hiervoor verantwoordelijk is, concluderen de onderzoekers. De bacteriën in de melk zorgen ervoor dat de lactose al grotendeels is afgebroken voordat hij gedronken wordt. Dat bespaart de Mongolen vervelende darmklachten.

    • Bart Funnekotter