Stuifmeel onthult de trekroute van de distelvlinder

Ecologie Genetische analyse van het stuifmeel dat aan de lijfjes van distelvlinders plakt, geeft nieuwe informatie over de trekroute.

Distelvlinder (Vanessa cardui). Illustratie Christian Musat

De duizenden kilometers lange trek van distelvlinders is te volgen aan de hand van het stuifmeel dat op hun lijfjes blijft hangen. Zo is voor het eerst goed te achterhalen waar de vlinders geweest zijn, schrijven biologen in het tijdschrift Molecular Ecology Resources. Ze vergelijken stukjes DNA uit de meegelifte stuifmeelkorrels met genetische informatie van planten in referentiecollecties. Dat vertelt waar de vlinders onderweg nectar hebben gegeten.

De distelvlinder, Vanessa cardui, komt bijna overal ter wereld voor, ook in Nederland. „Iedereen kent ze wel. Maar dat ze gigantische afstanden kunnen afleggen is bijzonder”, vertelt Gerard Talavera, van de Pompeu Fabra-universiteit in Barcelona, aan de telefoon. „Ze kunnen niet tegen kou. In het najaar vliegen ze naar het tropische deel van Afrika, onder de Sahel, en in het voorjaar komen ze terug naar Europa.”

Distelvlinders trekken dus, net als vogels, maar wel met een groot verschil: het is niet één individu dat de gehele route aflegt, maar ze doen dat verspreid over acht tot tien generaties. Binnen die generaties leggen sommige individuen wel duizenden kilometers af, vooral de exemplaren die de Sahara of de Middellandse Zee oversteken. Talavera: „Ze volgen de kustlijn, stijgen soms tot duizend meter hoogte op en vliegen met gunstige winden mee. Ze halen gemakkelijk 45 kilometer per uur.”

Voor zijn onderzoek verzamelde Talavera in het vroege voorjaar distelvlinders op de stranden van Andalusië en Catalonië. De vlinders hadden net een lange tocht gemaakt over de Middellandse Zee, vanuit Afrika. „Ze zijn dan moe, kapot en hongerig en landen op het strand, op zoek naar bloemen,” vertelt hij.

Hij ving de vlinders en verzamelde alle stuifmeelkorrels van hun lijf. In plaats van handmatig al het stuifmeel te determineren, zocht hij naar stukjes DNA van bekende planten uit DNA-databanken. ‘Metabarcoding’ heet deze techniek. Daarnaast zocht hij in atlassen en andere databases naar informatie over de geografische locaties waar de soorten voorkomen.

De onderzoekers herkenden zo stuifmeelkorrels van meer dan 157 plantensoorten. Daar zat stuifmeel bij van Spaanse planten, maar ook van bloemen die alleen in Marokko, Algerije of Tunesië voorkomen, zoals de goudsbloemensoort Calendula stellata. Ook vond hij een vlinder die stuifmeelkorrels van een bananensoort bij zich droeg, waarschijnlijk afkomstig uit West-Afrika.

    • Anne Martens