Rechtszaak erfgenaam kunsthandelaar Katz tegen Nederlandse staat

Restitutiekwestie

Een Amerikaanse man claimt meer dan 140 kunstwerken die in handen zijn van Nederlandse musea. Ze behoorden ooit toe aan de joodse kunsthandelaar Benjamin Katz.

Een Amerikaanse erfgenaam van een Nederlandse kunsthandelaar heeft maandag in de Verenigde Staten een rechtszaak aangespannen tegen de Nederlandse staat en diverse Nederlandse musea. De man claimt meer dan 140 kunstwerken die eigendom zijn van de Nederlandse staat en die zich bevinden in diverse Nederlandse musea en overheidsinstellingen. Dat meldde The New York Times dinsdag.

Het gaat om een erfgenaam van de joodse kunsthandelaar Benjamin Katz. De man doet bij de rechtbank in Charleston, South Carolina een beroep op de Foreign Sovereign Immunities Act. Bij uitspraken die in strijd zijn met internationale rechtsregels geeft die wet Amerikanen de kans om te procederen tegen buitenlandse instanties.

Bij de Nederlandse Restitutiecommissies hebben erven Katz de afgelopen jaren diverse keren tevergeefs kunstwerken geclaimd die de kunsthandelaren Nathan en Benjamin Katz gedurende de oorlog hebben verhandeld vanuit hun handel in de stad Dieren. Van 186 geclaimde kunstwerken en twee wandkleden konden de erven in 2013 volgens de commissie niet aantonen dat ze gedwongen waren verkocht. Alleen een portret van Ferdinand Bol, dat in het Museum Gouda hing, werd toentertijd gerestitueerd.

Nederlandse restitutieregels

De advocaat van de eiser, Joel Androphy, stelt in The New York Times, dat de strengere Nederlandse restitutieregels voor kunsthandelaren niet eerlijk zijn. „De Nederlanders zijn er duidelijk op uit om deze kunst te behouden. De Verenigde Staten hebben alleen belang bij wat eerlijk is.”

‘Lot en zijn dochters’ (1640), toegeschreven aan een schilder uit de omgeving van Rembrandt en in bezit van het Museum Catharijneconvent in Utrecht, één van de geclaimde werken.

De Nederlandse restitutieregels bij de beoordeling van kunsthandelzaken zijn inderdaad strenger dan de regels voor particuliere eigenaren. Het kunsthandelbeleid gaat uit van de veronderstelling dat een kunsthandel, ook tijdens de oorlog en ook als de handelaren joods waren, verkoop als doelstelling heeft.

Sinds de Restitutiecommissie in 2002 werd geïnstalleerd, hebben 42 erfgenamen van kunsthandelaren een claim ingediend. In negen gevallen adviseerde de commissie om de claim volledig toe te wijzen, 21 claims werden afgewezen en in twaalf gevallen werd een claim gedeeltelijk gehonoreerd.

Benjamin en Nathan Katz handelden in schilderkunst uit de Gouden Eeuw. In de Tweede Wereldoorlog verleende de bezetter hen dispensatie en hoefden zij niet te voldoen aan sommige anti-joodse maatregelen.

In de oorlog verkochten de broers grote hoeveelheden kunst aan een Duitse handelaar en aan Hans Posse, de directeur van het door Adolf Hitler geplande Führermuseum te Linz. De Restitutiecommissie beoordeelde deze transacties als verkopen in het kader van de handelsactiviteiten van een kunsthandel.

Correctie: In de oorspronkelijke versie van dit artikel werden de broers Katz aangeduid als Amsterdamse kunsthandelaren. Hun kunsthandel bevond zich echter in Dieren.

    • Arjen Ribbens