Ze wil hier nooit meer weg: Raquel van Haver werkt in het Decoratelier van de Nationale Opera & Ballet aan haar solotentoonsteling in het Stedelijk in Amsterdam.

Foto Lars van den Brink

Raquel van Haver: ‘Ik zag geen representatie van mezelf’

Raquel van Haver

De eerste grote solo van Raquel van Haver opent dit weekend in het Stedelijk Museum. „Ik ben drie tot zes maanden op reis, en de rest van het jaar leef ik als een kluizenaar.”

Raquel van Haver (29) durft niet te kijken. Een half jaar lang heeft ze geploeterd aan dit schilderij. Dag in dag uit heeft ze geleefd met de personages op het groepsportret: jonge mannen en vrouwen die ze ontmoet heeft tijdens haar reizen door onder meer Nigeria, Colombia, Zimbabwe en Cuba. Feestend en drinkend zit het bonte gezelschap rondom een lange tafel – als een vrolijke, hedendaagse versie van Het Laatste Avondmaal. En nu gaan ‘haar vrienden’ haar verlaten.

Vandaag wordt het immense doek – vier bij negen meter – naar het Stedelijk Museum vervoerd, waar het werk het topstuk zal vormen op Van Havers eerste grote solotentoonstelling. Maar er is een probleem, zegt een van de mannen van het transportbedrijf. Het schilderij moet van de muur worden gebikt. De klimop die op de voorstelling over het golfplaten dak groeit, is buiten de lijst gaan woekeren, over de stukken karton die aan het spieraam zijn geplakt. Binnen de lijntjes kleuren is niet echt Raquel van Havers ding.

Dus staat de kunstenaar nu te wankelen op een keukentrap om de uitgewaaierde verflagen los te snijden van de muur. Het doek golft vervaarlijk, topzwaar als het is van de dikke lagen olieverf, de bierdoppen en de sigarettenpeuken die eraan kleven. Er zitten zelfs oude mobieltjes en gerafelde affiches in het verfoppervlak verzonken. De lege verfpotten waar de spieramen op rusten, blijven plakken als de transporteurs het loodzware kunstwerk van de grond tillen. „Neem die ook maar mee”, lacht Van Haver.

Normaal gesproken werkt Van Haver in een piepkleine studio onderin een Bijlmerflat, waar „net een doekje op zijn kant” in past. Toen ze een jaar geleden hoorde dat ze een tentoonstelling in het Stedelijk zou krijgen, is ze op zoek gegaan naar een grotere werkplek. Via het CBK Zuidoost kon ze terecht in het Decoratelier van de Nationale Opera & Ballet. In de grote hal, die ze deelt met allerhande piepschuim decorstukken, kon ze eindelijk werken op de schaal die ze voor ogen had. „Nu wil ik hier niet meer weg. Het is zo’n fantastische ruimte, met al dat licht.”

Aan de kantoortijden moest ze wel even wennen. „In mijn eigen studio kan ik lekker twaalf tot zestien uur achter elkaar doorwerken. Hier begin je om half zeven ’s ochtends en moet je om zes uur klaar zijn.” Waar ze ook aan moest wennen, was de muziek. „In dit decoratelier draaien ze vaak klassiek. Maar daar word ik nogal langzaam van, omdat ik dan wil gaan zitten om geconcentreerd te luisteren. Dat schiet niet op. Dus heb ik vaak mijn koptelefoon op. Ik luister veel naar salsa, afrobeat, hiphop, dancehall en reggae als ik aan het werk ben. Ik vind het fijn als er een monotome bas in een nummer zit, zodat ik lekker door kan schilderen.”

Sinds Van Haver in 2012 afstudeerde aan de kunstacademie in Utrecht wisselt ze dat „beuken in het atelier” steeds af met onderzoeksperiodes in het buitenland. Ze verbleef als artist-in-residence in Zimbabwe, Colombia, Trinidad, Cuba en, vorig jaar, in Nigeria. „Meestal ben ik ieder jaar drie tot zes maanden op reis, en de rest van het jaar leef ik als een kluizenaar. Dan ben ik compleet gefocused op het schilderen en laat ik niemand iets zien. Mijn sociale leven is dan heel saai.”

Het zijn niet de meest toeristische plekken die Van Haver bezoekt. Op de een of andere manier belandt ze steeds weer in de favela’s, barrio’s en townships van grote Afrikaanse of Latijns-Amerikaanse steden. De mensen die ze er ontmoet – loodgieters en postbodes, barmannen en huisvrouwen, straatkinderen en hoeren – komen vervolgens met al hun karikaturale gelaatstrekken op haar schilderijen terecht. Met hun groteske koppen en weelderige lijven doen ze denken aan de cartoons van Robert Crumb, terwijl de rauwe manier van schilderen het werk van Leon Golub in herinnering brengt.

„Ik kom ook wel eens in wijken die juist heel posh zijn”, reageert Van Haver. „En ik spreek ook wel eens advocaten of ambassadepersoneel. Maar ik heb inderdaad wel een drang om plekken te bezoeken die gesloten zijn voor de buitenwereld. Soms is het een lifestyle die me interesseert, soms zijn het de absurde verhalen waar je tegenaan loopt. Ik ontmoet vaak mensen met heel aparte levensverhalen die in de kunst niet vaak verteld worden en die ik graag wil laten zien. Laatst was ik in Suriname, waar ik gezellig met een dame aan het kletsen was. Zij bleek een prostituee te zijn die bovendien drugs smokkelde van Suriname naar Nederland. Inspiratie is overal te vinden. Als je maar de tijd neemt om te luisteren.”

Lagos

In Lagos, waar ze op uitnodiging van de African Art Foundation verbleef, deed Van Haver onderzoek naar de zogenaamde ‘area boys’, groepen jongeren die hun eigen buurt als een micro-economie bestieren. „Ik raakte door hen gefascineerd omdat er vaak negatief over hen werd gesproken. Het zijn een soort gemobiliseerde bendes. Lagos is een paar jaar geleden iets te snel gegroeid, waardoor de overheid haar grip op de stad verloor. Buurten hebben zichzelf toen gemobiliseerd om huur op te halen, of geld in te zamelen voor de armen. Iedere buurt heeft zijn eigen lokale leider. Als je zo’n wijk in komt, moet je tol betalen. Daarmee houden ze hun buurt schoon en zorgen ze voor veiligheid.”

Het klinkt als een Afrikaanse variant op de maffia, maar Van Haver ziet de ‘area boys’ meer als een Robin Hood-achtig verhaal. „Natuurlijk houden ze zich ook bezig met criminele activiteiten. Maar ze zorgen bijvoorbeeld ook dat er openbaar vervoer is – iets waar de overheid geen oog voor heeft. Al die buurten hebben nu hun eigen bussen, want een bus mag alleen de wijk in als de chauffeur daarvoor heeft betaald. Zo zijn ze onderling die hele stad aan het organiseren om hem leefbaarder te maken. Als de area boys weg zouden vallen, zou de hele stad ineenstorten, ook het rijke gedeelte van Lagos. Ik wilde als kunstenaar onderzoeken hoe zo’n groep werkt. Zodat ik een ander, positiever beeld van hen kan laten zien.”

Raquel van Haver Foto Lars van den Brink

Ze is vooral geïnteresseerd in de dynamiek binnen groepen, zegt ze. Vandaar dat haar schilderijen er vaak uitzien als hedendaagse schuttersstukken: bevolkt door allerhande vrolijke types die nu eens gekleurd zijn in plaats van wit. Geïnspireerd door de Amerikaanse schilder Kerry James Marshall, die besloten heeft alleen nog maar zwarte mensen te schilderen omdat zij in de westerse kunstgeschiedenis zo ondervertegenwoordigd zijn, wil Van Haver haar eigen omgeving een podium geven. „En die omgeving is gekleurd.” Haar schilderijen gaan over plekken die zijn aangetast door de geschiedenis van diaspora, kolonialisme en migratie. „In de Nederlandse kunst wordt dat soort onderwerpen bijna vermeden”, vindt Van Haver. „En dat zou niet moeten. We moeten breder kijken, en de schilderkunst kan juist een medium zijn om die belangrijke verhalen te vertellen.”

Bij Van Haver zelf ontstond dat besef op haar twintigste, toen ze in haar geboorteland Colombia – ze werd als jong kind geadopteerd – het museum van Medellín bezocht. „Je zag daar nauwelijks portretten van gekleurde mensen. Als er op die oude schilderijen al donkere mensen waren afgebeeld, dan stonden ze in de schaduw, of ze gingen schuil achter een balk, zodat je alleen hun voeten zag. Het was duidelijk hoe moeilijk die schilders uit voorbije eeuwen het hadden met de gelaatstrekken van ‘de ander’. Ik weet nog hoe boos ik daar toen om was. Terug op de kunstacademie keek ik om me heen en zag: er is hier geen representatie van mij. Toen ben ik die schilderijen zelf maar gaan maken.”

Samen feesten

De nieuwe werken die ze maakte voor het Stedelijk gaan over samenkomen. „Over samen eten en samen feesten, en de rituelen die daarbij horen. Tijdens mijn reizen maakte ik altijd al foto’s van mensen die samen aan het eten of drinken zijn. Vaak herken ik daarin elementen uit Amsterdam Zuidoost of het Vondelpark, zoals de spontane barbecues op zwoele zomeravonden. Juist die overeenkomsten wil ik laten zien: de biertjes die in hetzelfde groene flesje zitten als thuis, de plastic tafeltjes en stoelen die overal identiek zijn, de rode colakratjes waar op gezeten wordt. Die komen allemaal terug in dit schilderij.”

Om haar groepsportret voor het Stedelijk te kunnen maken, is Van Haver nog een keer teruggegaan naar Lagos en heeft ze zelf een feest georganiseerd, waarvoor ze de area boys uitnodigde. Onder strenge voorwaarden mochten zij en vijf andere kunstenaars van de African Artist Foundation er fotograferen. „Zo kon ik foto’s maken van mijn personages, terwijl ze aten en dronken. Van al die foto’s heb ik een magazine gemaakt. En vanuit dat magazine heb ik de prints gemaakt die nu in het Stedelijk komen.”

Die documentatie is belangrijk, zegt Van Haver, omdat ze de sfeer van haar reizen en de mensen die ze ontmoet zo goed mogelijk wil overbrengen. „Je wilt als onderzoeker zoveel mogelijk informatie en documentatie om je rapport te kunnen schrijven. Dat is vergelijkbaar met wat ik doe.”

Ziet ze zichzelf daarmee als een sociaal-geëngageerde verslaggever? „Ja en nee. Het verhaal ligt er nu, je kunt erover praten en erover vragen. Het is weliswaar een documentair werk, dat gebaseerd is op losse feiten. Maar het is ook een schilderij: een representatie van de werkelijkheid. Binnen de randen van het doek kan ik alles veranderen wat ik wil. Ik kan de personages en de omgeving naar mijn hand zetten. In deze serie heb ik verschillende plekken met elkaar gefuseerd, waardoor er wel herkenning ontstaat, maar je nooit precies kunt achterhalen waar het schilderij zich afspeelt. Ik schilder geen politieke boodschap. Voor mij blijft de techniek, de rauwheid ervan en de gelaagdheid, ook heel belangrijk. Ik ben en blijf in de eerste plaats een schilder.”

Raquel van Haver: Spirits of the Soil. 25 nov t/m 7 april in het Stedelijk Museum, Amsterdam. Catalogus € 32.50. Inl: stedelijk.nl
    • Sandra Smallenburg