Italië wil werklozen een uitkering geven, als ze een baan zoeken. 'Maar er zijn hier helemaal geen banen'

Werkgelegenheid Italië In het zuiden van Italië is bijna 20 procent werkloos. Het populistische kabinet wil de werkloosheid en de bijstand groots aanpakken, maar dat gebeurt met veel improvisatie.

Gennaro Ferrillo runt een banencentrum in Napels. Hij vindt dat de overheid veel meer moet doen om mensen aan het werk te krijgen. Foto New York Times/Gianni Cipriano

Een van de speerpunten waarmee het Italiaanse kabinet een groots opgezette aanval wil uitvoeren op werkloosheid en armoede zit verstopt in een zijstraatje in Capodichino, een morsige wijk in Napels. Hoog boven smoezelige flats rijden auto’s voorbij op de tangenziale, de rondweg. Op een pleintje staat voor de zuilen die deze rondweg schragen, een enorm reclamebord met het geschilderde portretje van Enrico Caruso, de wereldberoemde Napolitaanse tenor die ook bijna een eeuw na zijn dood nog met liefde wordt herdacht.

Het Centrum voor Werk zit aan het einde van het oplopende straatje, tegenover een politiebureau. In een kamer binnen staan vier bureaus, waar medewerkers de gegevens opnemen van mensen die werk zoeken. „Het is een formaliteit”, zegt Pasquale De Rosa voordat hij aanschuift. Hij is 33 en had een baantje in een supermarkt, maar is dat weer kwijt en verwacht niet dat hij hier nieuw werk vindt. Daarvoor zijn de cijfers te slecht.

Meer dan 10 procent van de Italianen is werkloos. Maar dat is een gemiddelde. In het noorden zijn veel meer banen, hier in het zuiden loopt de werkloosheid op naar tegen de 20 procent. De geregistreerde jeugdwerkloosheid ligt rond de 35 procent, met in het zuiden uitschieters naar 50 procent.

De Rosa komt vooral voor „het certificaat”, het officiële bewijs dat je werkloos bent geworden en op zoek bent naar werk. Dit papier is nodig om een aanvraag in te dienen voor de uiterst bescheiden vorm van bijstand die sinds vorig jaar bestaat: 188 euro per maand voor een alleenstaande, 485 euro voor een gezin van vijf.

Het is te weinig en de voorwaarden zijn te streng om echt impact te hebben. Het populistische kabinet in Rome wil de zaken grootser aanpakken. De Vijfsterrenbeweging heeft 9 miljard euro aan extra uitgaven begroot om mensen een minimum van 780 euro te kunnen aanbieden op voorwaarde dat ze op zoek gaan naar werk. En nog eens 1 miljard euro om de Centra voor werk, volgens de Italiaanse afkorting CPI, beter te laten functioneren.

Lees ook: Armoede in Italië is schrikbarend sterk gestegen

Rome botst met Brussel over deze extra uitgaven, waardoor het begrotingstekort tegen de afspraken in stijgt. Premier Conte zei woensdag dat hij niet alleen het hoe, maar ook het waarom van deze extra uitgaven zaterdag wil uitleggen in Brussel, maar de details zijn nog onzeker. Het kabinet improviseert bij deze vorm van gekoppelde armoedebestrijding en werkgelegenheidsbeleid. Dat geldt voor de dekking (is die 9 miljard wel genoeg?), maar zeker ook voor de uitvoering.

Plan is de uitkering, het zogeheten reddito di cittadinanza (burgerinkomen) aan twee voorwaarden te verbinden. De eerste is een paar uur per week vrijwilligerswerk doen, te organiseren door lokale en provinciale overheden. De tweede is over een periode van twee jaar een van de drie banen accepteren die het CPI aanbiedt.

Magere 3 procent

Gennaro Ferrillo heeft geen flauw idee hoe hij dat voor elkaar moet krijgen. Hij heeft de leiding over dit Centrum voor Werk, maar kampt met een reeks problemen: verouderde computers, te weinig medewerkers die ook nog onvoldoende zijn opgeleid, een behuizing die veel te wensen overlaat. „Er zullen wel wat investeringen komen”, zegt hij, terwijl zijn ogen afdwalen naar de muur van zijn kantoortje, die maar voor de helft is behangen. „Maar er zijn hier helemaal geen banen.”

Maar een magere 3 procent van de werkzoekenden vindt een baan via het Centrum voor Werk

Hij kent de verhalen: van de werkzoekenden die in Italië een baan vinden, lukt maar een magere 3 procent dat via het Centrum voor Werk. Ook al wil de regering het graag, dat zal niet snel veranderen. Daarvoor zijn er te veel tekortkomingen in de manier waarop de centra zijn georganiseerd.

Een eerste probleem is de koppeling die het kabinet maakt tussen deze uitkering en werkgelegenheidsbeleid. Critici van het kabinet, zowel politici in de rechtse en linkse oppositie als economen, wijzen erop dat de koppeling tussen uitkering en werk zoeken in de praktijk fictie zal blijken. „Veel mensen zullen gewoon op de bank blijven zitten omdat de centra niet toegerust zijn om banen aan te bieden of te controleren dat mensen ernaar op zoek zijn”, zei oud-minister Renato Brunetta, lid van Berlusconi’s partij Forza Italia.

Weinig aandacht voor vraag

Ferrillo, van het banencentrum in Napels, wil politieke uitspraken vermijden, maar zegt droog: „Het geven van een uitkering is niet hetzelfde als een actief werkgelegenheidsbeleid. We hebben nu voor 80-90 procent passief beleid” – denk daarbij aan sociale schokdempers als een uitkering of mogelijkheden voor bedrijven om werknemers in een tijdelijkwerkloosheidsfonds te parkeren. „Ongeveer 10 tot 20 procent is actief werkgelegenheidsbeleid. Dat zou veel meer moeten zijn. Ook in een stagnerende economie zijn er bedrijven die mensen nodig hebben, kun je mogelijkheden vinden om te werken. Zelfs al blijven we voorlopig ver verwijderd van volledige werkgelegenheid.”

Minister van Arbeid Luigi Di Maio, leider van de Vijfsterrenbeweging, wil het ‘burgerinkomen’ ook gebruiken als stimulans voor bedrijven om mensen aan te nemen. Voor de eerste vier à vijf maanden zouden bedrijven de waarde van de (dan overbodig geworden) uitkering mogen aftrekken van de belastingen. Als het om een vrouw gaat, komt er een maand extra bij, is Di Maio’s plan.

In een gesprek met buitenlandse journalisten schat hij dat ongeveer zes miljoen mensen voor dit ‘burgerinkomen’ in aanmerking komen. Hij bezweert dat ondanks alle improvisatie in maart, april alles rond is om ermee te beginnen.

Lees ook: Vice-premier Di Maio hoopt Brussel te kunnen overtuigen

Ferrillo heeft grote twijfels over deze opzet. „Helaas hebben we opnieuw een beleid dat uitgaat van het aanbod van mensen die werk zoeken, niet van de vraag die leeft bij ondernemers.” Hij betreurt het dat het banencentrum niet veel actiever mensen naar bepaalde cursussen en trainingen kan sturen. In Italië zijn de (twintig) regio’s verantwoordelijk voor het werkgelegenheidsbeleid, niet de landelijke overheid. In de regio Campanië bestaat, net als in de meeste andere regio’s, een gemengd systeem: banencentra die moeten bemiddelen tussen werkzoekende en bedrijf; en opleidingscentra die mensen nieuwe vaardigheden moeten bijbrengen. „De matching tussen wat mensen wordt geleerd en waar bedrijven om vragen is niet goed”, zegt Ferrillo. „Die extra opleiding is niet gekoppeld aan de vraag.”

Hij gaat ervan uit dat hij op korte termijn meer medewerkers krijgt, maar of hij ze zelf mag aannemen is nog maar de vraag. „Het aantal medewerkers is veel kleiner dan in Duitsland of Frankrijk. Als wij één medewerker hebben, hebben de Fransen er zeven en de Duitsers tien. Om deze nieuwe maatregel te laten werken moet hier nog heel wat gebeuren.”

Dat mensen worden gedwongen tot vrijwilligerswerk, vindt Ferrillo in principe een goed idee. „Er is zo ontzettend veel te doen. Ga hier buiten de straat op en je ziet het. Het goede van deze maatregel is dat die mensen de kans geeft zich nuttig te voelen. Áls we alles goed organiseren. Als.” Maar essentieel is de vraag of dit nieuwe plan helpt om meer mensen aan een betaalde baan te helpen en zo de armoede te bestrijden. Daarover heeft Ferrillo zijn twijfels. „Als deze maatregel niet helpt om uit de armoede te komen, hebben we weer iets zinloos gedaan.”

    • Marc Leijendekker