Recensie

Eerherstel voor de echtheid van Lorenzo Lotto

Renaissance

De schilderijen van Lorenzo Lotto (1480-1557) werden toegeschreven aan allerhande andere schilders. Nu is er met een tentoonstelling in de National Gallery in Londen een laat maar schitterend eerherstel voor de Italiaanse meester die lang in de vergetelheid was geraakt.

Signor Marsilio Cassotti en zijn vrouw Faustina. Lorenzo Lotto, olieverf op linnen, 1523. Beeld Prado Museum, Madrid

Kijk, die twee: Marsilio net eenentwintig, Faustina negentien, onder de hoede van een plagerige putto. Marsilio’s blik is een beetje triomfantelijk, die van Faustina verwachtingsvol. Een paar jaar later zouden de kaarten heel anders liggen, maar op het portret van Lorenzo Lotto zijn ze nu al bijna vijfhonderd jaar bezig hun huwelijk te bezegelen. De jongen staat op het punt een ring aan de vinger van het meisje te schuiven. Haar jurk is rood, de kleur die toen in Noord-Italië gold als favoriet voor bruidsjurken.

Alles wijst de goede kant op voor dit paar. De bruid is omhangen met kleine juweelvormige toespelingen op haar situatie en persoon, waaronder een camee met het profiel van haar naamgenote: de Romeinse keizerin Faustina. Het leven ligt voor hen; direct achter hen zweeft een blozende Cupido die het huwelijksjuk op hun schouders plaatst. Uit zijn koker steken pijlen van goud maar ook van lood.

Kunstwerken kunnen veel, maar ons beschermen kunnen ze niet. Vijf jaar later was Marsilio dood. Faustina werd door haar broers uitgehuwelijkt aan edelman Pasino Benaglio, met wie ze de rest van haar lange leven doorbracht. De dode bruidegom werd een vlekje dat weggewerkt moest worden. Zijn dochtertje verdween in een klooster, het babyzoontje groeide op in het huis van ooms en tantes.

Maar hier in dit prachtige dubbelportret zijn ze nog veilig, in hun kleine compacte universum van twee jonge gestalten die een ernstige blik in de toekomst werpen. En wij, vanuit die toekomst, kijken terug, verwonderd over zoveel levensechtheid.

Wij, dat zijn de bezoekers in de Londense National Gallery waar nu een prachtige tentoonstelling te zien is met portretten van de Noord-Italiaanse kunstenaar Lorenzo Lotto (1480-1557). Het trouwportret van Marsilio en Faustina is een goed voorbeeld van het soort schilderij waar deze schilder in excelleerde: van gestalten die ons wonderbaarlijk levensecht tegemoet treden vanuit een omgeving die heel tastbaar en tegelijk vreemd aandoet, bestrooid met raadselvolle attributen.

Raadsels

Lorenzo Lotto hield van raadsels. In zijn tijd was dat niet ongewoon, het gold als tijdverdrijf en tegelijk veel meer dan dat. In een onzekere wereld tilt een goed raadsel de drager op naar veiliger sferen waar voorwerpen en gedachten een verbond sluiten tegen de grillen van het toeval. En zulke handreikingen vanuit een hoger plan, daar had Lotto een zelfs voor zijn tijd bijzondere belangstelling voor. Rozenblaadjes, ringen, beestjes, amuletten, hangers, doosjes, beeldjes, kleine teksten, gebaren; hoe langer je kijkt hoe meer je er spot.

Een vrouw geheten Lucina krijgt als achtergrond een nachtlandschap met een maantje, Luna, waarin de ontbrekende extra letters CI zijn verwerkt. LU-CI-NA: zo wordt dat maantje een soort kleine rebus van haar naam. Haar echtgenoot Leonino (Italiaans voor ‘leeuwtje’) houdt een gouden leeuwenpootje in zijn hand. De tentoonstelling is heel mooi aangekleed met hier en daar zo’n attribuut in een vitrine. De camee van Faustina, een paar beeldjes, een rode bruidsjurk, een kleed.

In een onzekere wereld tilt een goed raadsel de drager op naar veiliger sferen

Zulke toevoegingen moeten hun plaats kennen willen ze werken, dat hebben de makers van deze tentoonstelling goed begrepen. Ze voegen een bescheiden element van materiële echtheid toe, waardoor de wereld achter de lijsten meer tot leven komt. Ook Lotto zelf was een meester van de impliciete vertelkunst. Zijn geschilderde spulletjes opereren in de periferie, vanwaar ze een discreet commentaar geven op de geportretteerde. Je kijkt er zo overheen en als je ze dan toch ziet, veroorzaken ze een schokje. Het sterkste voorbeeld van dat principe in Lotto’s oeuvre werd, tot verdriet van conservator Matthias Wivel, te kwestbaar bevonden om te worden uitgeleend aan de tentoonstelling in Londen: het prachtige portret uit het Weense Kunsthistorisches Museum, ‘Jongen met een lamp’ uit 1512. Voor wie hem kent is zijn afwezigheid voelbaar, omdat in dat sobere portret alles samenkomt wat een Lotto tot een Lotto maakt. Helemaal rechts achter het bijna dichtgeschoven gordijn van glanzend wit zijdedamast brandt, nog net zichtbaar, een vlammetje in een lamp. Betekent dat vlammetje iets? Of niet?

Van de jongen, Broccardo Malchiostro, wordt verteld dat iemand ooit een aanslag op zijn leven pleegde; hij was secretaris van de bisschop Bernardo de’ Rossi, die veel vijanden maakte en ook zelf zo’n aanslag overleefde, waarna Lotto een ijzersterk portret van hem maakte, dat wel op de tentoonstelling hangt. Zijn rechterhand met een dikke zegelring omklemt een papierrol waarop volgens sommigen het vonnis van de samenzweerders stond.

Vergetelheid

Al die sprekende portretten roepen een bijzondere nieuwsgierigheid op naar hun maker. En we weten ook vrij veel over hem, dankzij een notitieboekje waarin hij uitgaven en invallen noteerde, het Libro de spese diverse (letterlijk boek van diverse uitgaven). Uit dat boekje komt een zwaarmoedige man naar voren, die in zijn late jaren uit de mode raakte en arm en eenzaam stierf. Zijn leeftijdgenoot Titiaan ontving keizers, pausen en prinsessen in zijn atelier, Lotto zocht het gezelschap van de mensen die we ook op zijn schilderijen ontmoeten: een goudsmid, een advocaat, en het buitengewoon ontroerend portret van de chirurg Gian Giacomo Bonamigo en zijn zoontje. Lotto’s notitieboek vermeldt cadeautjes die hij soms voor die kinderen kocht. Hij raakte met hen in vergetelheid om pas 350 jaar later weer tot leven te worden gewekt dankzij de inspanningen van de nog jonge Amerikaanse kunsthistoricus Bernard Berenson. En zelfs daarna bleef hij nog lang een beetje een randfiguur, een tip voor de kenner maar zeker geen ster. De Engelse verzamelingen zaten al vol met Rafaels en Titiaans, meegenomen door adellijke toeristen op de terugweg van hun Grand Tour. Nog wat later werden altaarstukken met karrenvrachten tegelijk naar Engeland vervoerd, maar de Lotto’s bleven rustig hangen waar ze hingen: in Treviso en Bergamo, Ancona, Asolo, Jesi en Recanati , plaatsen waar de Engelse adel zich toch al niet zo snel vertoonde.

Lucina Brembati. Lorenzo Lotto, olieverf op paneel, 1523. Beeld Accademia Carrara, Bergamo

Zo komt het dat er pas nu een overzichtstentoonstelling wordt gewijd aan de portretten van deze meester, eerst in het Prado in Madrid, nu in de National Gallery. Het beeld waarmee de tentoonstelling in Londen wandvullend wordt gepresenteerd, is het portret van de verzamelaar Andrea Odoni. De catalogus zwijgt over het feit dat deze eerste Lotto die Engels grondgebied bereikte, een cadeau was uit Nederland, meegegeven in 1660 aan koning Karel II bij zijn terugkeer uit ballingschap.

Het ging hier om de zogeheten Dutch Gift: een scheepslading meubels, sieraden en kunstwerken die in 1660 het Kanaal overstak als een relatiegeschenk van de Staten-Generaal. Het cadeau was bedoeld om Karel gunstig te stemmen voor de Nederlandse handel, naar achteraf bleek zonder effect. Tussen de kunstwerken zat naast een Titiaan, een Bellini, Rafael, Saenredam en Gerard Dou ook het meesterlijke portret dat nu de entree en affiches van de tentoonstelling siert als een van de hoogtepunten uit de Royal Collection. Maar anno 1660, toen het schip aankwam, had geen enkele Britse connaisseur van deze kunstenaar gehoord. In de administratie van kort na de schenking staat het schilderij beschreven als van Lorenzo Lottie. Vijftig jaar later verscheen het in de koninklijke inventaris als een Correggio. Nog weer later werd het toegeschreven aan Giorgione.

Echtheid niet gewenst

Iets dergelijks is gebeurd met ongeveer het hele oeuvre van Lotto. Na zijn dood werd zijn artistieke erfenis verdeeld onder de oeuvres van Palma Vecchio, Paolo Veronese, Giorgione, Tintoretto, Leonardo en zelfs Holbein. Rondlopend in de National Gallery kun je je dat niet goed meer voorstellen, zo origineel zijn deze portretten van vijfhonderd jaar oude Italianen. Vergelijk Lotto’s portret van Marsilio en Faustina met het veel beroemdere huwelijksportret dat een paar zalen verderop hangt, het zogeheten Arnolfiniportret uit 1434 van Jan van Eyck. Contact is wel het laatste wat dit echtpaar met ons zoekt. En dat geldt voor de meeste geschilderde gezichten tussen 1400 en 1800. Lotto’s mensen zijn meer familie van de portretten van moderne fotografen als August Sander en recenter nog Rineke Dijkstra dan van hun voorgangers en tijdgenoten.

Maar zo gaat het vaker in de kunst: precies die eigenschap die wij vandaag zo waarderen stond zijn reputatie eeuwenlang in de weg. Echtheid was noch bij de Italiaanse adel anno 1500, noch bij de Engelse Lords anno 1700 gewenst. Die jongen op dat portret met het vlammetje uit het Kunsthistorisches in Wenen: glimneus, pukkel en hangende oogleden die een meesterlijk schaduwtje over zijn ogen werpen; als portret raak je er niet op uitgekeken maar wat vond Broccardo er zelf van? Wij zijn gewend dat die twee belangen elkaar niet per se overlappen, maar volgens de berichten waren Lotto’s modellen niet altijd blij met zijn versie van hun persoon, en bleef hij soms met zo’n portret zitten.

Het duurde een paar eeuwen voor wij, het kunstpubliek, oog kregen voor de sprekende directheid van zijn kunst.

En zo heeft de tentoonstelling in de vier zalen van de National Gallery nog steeds iets van een laat maar schitterend eerherstel. Lotto was geen klassieke kunstenaar van de soort waar de British Heritage nog steeds zo door wordt gekenmerkt. Maar hij had een moderne meester kunnen zijn.

    • Mariëtte Haveman