Een raadsel: loonkloof blijft gelijk

Beloningsonderzoek CBS De loonkloof tussen mannen en vrouwen bleef in twee jaar onveranderd, concludeert het CBS. Komt dat door seksediscriminatie?

Illustratie Fokke Gerritsma

Als het over de loonkloof tussen mannen en vrouwen gaat, duiken steeds weer dezelfde cijfers op. Vrouwen die voor de overheid werken, verdienen 5 procent minder per uur dan mannen. Werken ze in het bedrijfsleven, dan krijgen ze 7 procent minder voor hetzelfde werk.

We weten nu: dit zijn de cijfers waarmee we het ook de komende twee jaar weer moeten doen. Want de loonkloof – het deel dat níét verklaard kan worden door bijvoorbeeld het massale in deeltijd werken van Nederlandse vrouwen – is in twee jaar tijd niet gekrompen. Dat blijkt uit onderzoek van het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS) naar loonverschillen tussen mannen en vrouwen in 2016, dat donderdag wordt gepubliceerd.

„Raadselachtig”, noemt Peter Hein van Mulligen van het CBS dat. En: „Lastig te verklaren, dat er niets is veranderd.”

Is dit het dan? Blijft het ‘onverklaarde loonverschil’, zoals het CBS dat noemt, hangen op 5 en 7 procent? En komt dat dan door seksediscriminatie?

Deeltijdwerk

Sinds dit tweejaarlijkse onderzoek voor het eerst werd uitgevoerd, is de loonkloof wel kleiner geworden: in 2008 was het verschil zowel bij de overheid als in het bedrijfsleven nog twee procentpunt groter. Maar de laatste jaren blijft het hangen op hetzelfde getal. Het is nog te vroeg om te zeggen dat er niks meer gebeurt, zegt Van Mulligen. „Hoe dichter je bij nul komt, hoe kleiner de stapjes zullen zijn.” Maar: „Als het over twee jaar wéér gelijk is, dan kunnen we ons wel gaan afvragen wat er aan de hand is.”

Wel gekrompen, zij het licht, zijn de óngecorrigeerde loonverschillen, waarbij dus niet gekeken werd naar zaken als werkervaring, leeftijd en sector. Die percentages liggen aanzienlijk hoger: bij de overheid verdienen vrouwen gemiddeld 8 procent minder per uur dan mannen, in het bedrijfsleven zelfs 19 procent minder.

Maar die cijfers zeggen weer niet zoveel over het loonverschil tussen mannen en vrouwen met een vergelijkbare achtergrond. Van Mulligen verklaart deze lichte afname (respectievelijk 2 en 1 procentpunt) vanuit het opleidingsniveau van vrouwen, dat meer is toegenomen dan dat van mannen. Dat is waarschijnlijk ook de reden dat „het omslagpunt”, het moment waarop mannen meer gaan verdienen dan vrouwen, nu gemiddeld iets later plaatsvindt.

„In het begin van hun carrière verdienen vrouwen nog meer, daar zie je dat verschil in opleidingsniveau doorsijpelen. Maar zodra vrouwen 36 jaar zijn als ze bij de overheid werken, en 26 in het bedrijfsleven, slaat dat om – vanwege de bekende reden.”

Die is: zodra Nederlandse vrouwen kinderen krijgen, gaan ze vaak minder werken. De beter verdienende banen worden daardoor moeilijker bereikbaar. Van Mulligen: „Daar hebben de mannen geen last van, die kunnen met een gemiddeld genomen beperkter opleidingsniveau toch hogerop komen. Omdat zij dus wél in meerderheid voltijds blijven werken.”

Dat betekent overigens niet dat een voltijdbaan de heilige graal is, zegt hij. „Maar je kunt je wel afvragen of het logisch is dat het verschil in arbeidsuren tussen mannen en vrouwen zo groot is. Zeker gezien het opleidingsniveau van vrouwen hoger is. Op het moment dat er kinderen komen, verdienen ze zelfs meer. Het zou dus niet gek zijn als het gesprek over wie er minder gaat werken, eens wat vaker de andere kant op zou gaan.”

Ongelijke waardering

Terug naar het deel van de loonkloof dat de onderzoekers van het CBS niet kunnen verklaren. Dat Nederlandse mannen dan nog steeds een gemiddeld hoger uurloon krijgen dan vrouwen, geeft „een voorzichtige indicatie van het bestaan van ongelijk loon voor gelijkwaardige arbeid”, aldus het rapport.

Maar het verschil is ook niet een-op-een te koppelen aan discriminatie. Er kan simpelweg niet voor alles gecorrigeerd worden. Zo zijn bijvoorbeeld de motivatie van werknemers en secundaire arbeidsvoorwaarden niet meegenomen.

Maar dát discriminatie een aandeel heeft in de loonkloof is wel herhaaldelijk wetenschappelijk bewezen, zegt Belle Derks, hoogleraar sociale en organisatiepsychologie en gespecialiseerd in mechanismen die genderongelijkheid in de hand werken. Dat onverklaarde verschil in beloning zal volgens haar nooit verdwijnen zolang het werk van vrouwen niet gelijk gewaardeerd wordt aan dat van mannen.

Derks: „Kijk wat er gebeurt als er meer vrouwen in een sector als de zorg gaan werken. Dan daalt de status van dat beroep en dalen ook de salarissen. Salaris toekennen is gewoon niet objectief.” Als salarissen zijn gestandaardiseerd, zegt ze, en er dus weinig onderhandelingsruimte is, dan zie je dat mannen en vrouwen evenwichtiger verdienen. „Daarom is het loonverschil bij de overheid, met haar salarisschalen, ook kleiner dan in het bedrijfsleven.” Al blijven er ook dan, bleek uit haar eigen onderzoek naar de loonkloof op universiteiten, loonverschillen tussen mannen en vrouwen bestaan.

Je hoort vaak dat vrouwen gewoon wat harder moeten onderhandelen, vervolgt Derks. „Maar onderzoek wijst ook uit dat het niet zozeer gaat om hoe mannen en vrouwen onderhandelen, maar om de mate waarin het hun gegund wordt. Het gedrag en de eisen van een vrouw worden sneller gezien als veeleisend en dominant. Terwijl bij mannen gedacht wordt: die weet tenminste wat hij waard is.”

Zo zijn er tal van mechanismen die invloed hebben op de beoordeling en beloning van vrouwen, zegt Derks. „Bijvoorbeeld ook de onbewuste gedachte dat de man een gezin moet onderhouden en de vrouw gewoon een leuk betaalde hobby heeft.”

Dat onverklaarde verschil in uurloon, die 5 en 7 procent, daarover hoort Derks mensen weleens zeggen: ‘Ach, zoveel is dat toch niet?’ „Maar reken maar eens uit wat het op jaarbasis scheelt. Ik denk niet dat je wilt ruilen.”

    • Anne Dohmen