Politici ontwijken lastige vragen in het Kindervragenuur

Tweede Kamer Basisscholieren mochten in de Tweede Kamer vragen stellen aan het kabinet. De toon van de politici was welwillend, de antwoorden bleven vaag.

Tweede Kamerlid Rens Raemakers (D66) moedigt kinderen aan tijdens het Kindervragenuur. Foto Remko de Waal / ANP.

In tegenstelling tot normale debatten in de Tweede Kamer werd er dinsdagmiddag vaak ‘dankjewel’ gezegd in de plenaire zaal. En: „Dit was een goed antwoord op mijn vraag”, tijdens het allereerste vragenuur speciaal voor kinderen in de Tweede Kamer. Daarvoor waren basisschoolleerlingen uit groep 7 en 8 van vijf scholen afgereisd naar Den Haag. De kinderen, geselecteerd door de Kamer, vulden voorafgaand aan het reguliere vragenuur op dinsdag de 150 blauwe zetels van het parlement.

Nu waren het vijf kinderen die bewindspersonen scherpe en goed voorbereide vragen stelden over de actualiteit. Waarom mensen met een vmbo-opleiding minder salaris krijgen dan mensen met een gymnasiumopleiding, beantwoord door minister Ingrid van Engelshoven (Onderwijs, D66). Wat er gebeurt met mensen met een gasfornuis, nu de regering de gaskraan dichtdraait, aan minister van Economische Zaken Eric Wiebes. En waarom er op scholen zo weinig aandacht wordt besteed aan sport, aan minister Arie Slob (Onderwijs, ChristenUnie).

Premier Rutte kreeg de eerste vraag. Waarom kinderen onder de 18 jaar niet mogen stemmen. „Omdat het tot een zekere leeftijd toch je ouders of verzorgers zijn die dingen voor je bepalen”, zei hij, met de toevoeging dat hij er zelf ook niet voor zou zijn. „Maar je kunt wel al eerder invloed hebben”, hield hij de kinderen voor. Door actief te worden voor een organisatie die zich sterk maakt voor een doel, „zoals armoedebestrijding”, of van een politieke jongerenpartij.

Strenge Arib

Het uur volgde de formele regels van de Tweede Kamer en de echte Kamervoorzitter, Khadija Arib, trad op als strenge tussenpersoon. Zij vroeg de kinderen meermaals of ze wel écht een antwoord hadden gekregen op hun vraag, om vervolgens zelf opzichtig nee te knikken en de ministers opnieuw te laten uitleggen wat ze bedoelden. Tegen minister Arie Slob zei ze: „Dat was niet de vraag”. Slob: „Nee, een advies.” Arib, tegen de zaal: „Zo gaat dat hier vaak.”

Want niet alle ministers gaven even duidelijk antwoord, ondanks de bereidwillige toon en de tijd die ze ervoor namen. Zo kreeg vicepremier Hugo de Jonge (Volksgezondheid, CDA) de vraag of er plannen zijn om de pleegzorg te verbeteren. Daarop begon hij reclame te maken voor een campagne die meer pleeggezinnen moet werven, zonder uit te leggen hoe dat dan precies in zijn werk gaat.

Het initiatief voor het Kindervragenuur komt van Kamerlid Rens Raemakers (D66) en vond plaats op de internationale dag voor de rechten van het kind. Sommige parlementariërs namen voor de gelegenheid zelf plaats op de publieke tribune, om naar de kinderen te kijken.

Af en toe moest een kind op zijn tenen gaan staan om bij de interruptiemicrofoon te komen, en aan het eind van het uur werd er heel wat gedraaid in de blauwe stoelen. Maar één keer vergat een jongen wat hij wilde zeggen. Verder was er vooral veel lof. En selfies met de premier na afloop.

Lees ook: Kinderen maken de politicus mens én onmens
    • Floor Boon