Harki’s willen zich niet laten wegvegen uit Franse historie

Koloniale erfenis De kampen zijn nu dicht. Maar Algerijnse soldaten die aan de kant van Frankrijk vochten, eisen erkenning van het leed dat hun is aangedaan. President Macron lijkt te luisteren.

Harki-veteranen tijdens een ceremonie bij Les Invalides in Parijs op 25 september, Harki-herdenkingsdag. Foto Philippe Lopez

Het was een wat surrealistisch beeld. Keurig op rij stonden de hoogwaardigheidsbekleders opgesteld: de burgemeester, de prefect en de militaire autoriteiten, klaar voor de herdenking, eind september, van Algerijnse soldaten die meer dan vijftig jaar geleden aan Franse kant meevochten. En pal voor hen stond een been. Een woedende oudere dame had er eerder naast het ‘Monument voor de Doden’ bij de kerk mee staan zwaaien. „Mijn man heeft voor Frankrijk gevochten”, had ze geroepen. „En het enige dat hij kreeg is een houten been.” Niemand die de prothese durfde weg te halen.

Historici schatten dat 60.000 tot 80.000 harki’s hun inzet voor de Fransen na de oorlog in massaslachtingen met de dood hebben moeten bekopen.

De herdenking in het dorpje Bias in het zuidwesten van Frankrijk voor de zogenoemde ‘harki’s’ vond enkele dagen plaats nadat Emmanuel Macron de Algerijnse oorlog (1954-1962) weer volop terug in de belangstelling had gebracht. Hij had als eerste president erkend dat het Franse leger tegenstanders systematisch gemarteld heeft. En in een poging ook de andere kant van de beladen koloniale geschiedenis onder ogen te komen, onderscheidde hij een twintigtal harki’s met een Légion d’honneur voor de bewezen diensten. Voor december zou hij een ceremonie in het Panthéon in voorbereiding hebben.

Beruchte kampen

Al sinds het staakt-het-vuren in 1962, toen de harki’s als „verraders” hun leven in Algerije niet meer zeker waren, strijden ze voor erkenning en schadeloosstelling na hun slechte behandeling in Frankrijk. Velen woonden jarenlang afgezonderd in kampen, zoals hier in Bias, waar van 1962 tot 1975 het beruchtste harki-kamp lag. Hun kinderen, vaak opgegroeid achter de kampmuren, hebben de strijd de laatste jaren nieuw leven ingeblazen. Een door president Macron ingestelde werkgroep kwam deze zomer met een reeks adviezen. Hij stelde 40 miljoen euro ter beschikking. Maar de harki-belangengroepen schatten hun schade op een slordige 40 miljard.

„Frankrijk wilde ons niet toen we hier in 1962 kwamen”, zegt Brahim Lecheheb (78) thuis in Sainte-Livrade-sur-Lot, even buiten Bias. Het been, dat was van hem. Zijn vrouw Adda (64) had het meegenomen. Om gezondheidsredenen kon hij niet naar de herdenking komen. „Ik heb zij aan zij met Fransen gevochten, maar toen de oorlog voorbij was, noemden ze me een vieze Arabier”, mompelt hij aan de keukentafel. Nadat in 1962 de zelfstandige Algerijnse toekomst was beklonken in de Akkoorden van Évian, werden de harki’s – formeel ‘inheemse’ suppletietroepen – naar de kazerne geroepen. „We moesten onze wapens inleveren. Ik wilde weg. Was ik in Algerije gebleven, dan had ik het niet overleefd.”

Lees ook het interview met historicus Benjamin Stora: ‘Frankrijk durft Algerije nu onder ogen te zien’

Historici schatten dat 60.000 tot 80.000 harki’s hun inzet voor de Fransen na de oorlog in massaslachtingen met de dood hebben moeten bekopen. Het Franse leger mocht hen niet meer helpen. Zo’n 40.000 mannen slaagden er tegen de zin van de regering van president De Gaulle in met hun familie naar Frankrijk uit te wijken. Daar werden ze eerst ondergebracht in het militaire kamp Rivesaltes, bij Perpignan. Een deel ging naar afgelegen gehuchten waar ze in de bosbouw te werk werden gesteld. Mannen zoals Brahim Lecheheb, die in de oorlog op een mijn liep en volgens de autoriteiten daarom „irrécupérable” (onbruikbaar) was, gingen naar andere militaire kampen. In Bias ontmoette hij zijn latere vrouw, Adda. Zij was met haar vader, ook ex-soldaat, uit Algerije meegekomen. „We trouwden onder elkaar. Er werd alles aan gedaan om te voorkomen dat we met andere Fransen in aanraking kwamen”, lacht zij.

„We waren en we zijn Fransen”, zegt Boaza Gasmi (64) achter het stuur van zijn krakende Peugeot. Algerije was formeel geen kolonie: tot 1962 was het integraal deel van Frankrijk. „Maar we hebben nooit dezelfde rechten gehad.” De auto heeft 461.000 kilometer op de teller, maar de teller draait al even niet meer. Gasmi, voorzitter van het Comité National de Liaison des Harkis, een belangengroep, en zelf ook opgegroeid in het kamp van Bias, rijdt stad en land af om de zaak onder de aandacht te brengen. Pas nadat Macron hem vorig jaar wilde ontvangen, stopte hij een dagenlange hongerstaking. „We zijn de enige Franse staatsburgers die apartheid hebben gekend”, zegt hij. „We mochten gewoon niet integreren.”

Belediging

Het bedrag van 40 miljard euro, dat hij nu eist, is alleszins redelijk, vindt hij zelf. „Reken maar uit: in Algerije hadden onze families land en vaak hutten of huizen. Tel daar de ontworteling en de immateriële schade door geweldstrauma’s bij op en verdeel dat over alle harki’s en hun nakomelingen.” Anders gezegd: de 40 miljoen waar Macron mee kwam is „een belediging”. Het bedrag komt volgens Gasmi alleen ten goede aan de bureaucratie bij het bureau voor oud-strijders. De ongeveer 7.000 harki’s die nog in leven zouden zijn, zullen er weinig wijzer van worden. „Die 40 miljard was een schatting. We gingen er vanuit dat er een onderhandeling zou komen, maar die kwam niet.”

In slakkengang stuurt Gasmi zijn auto over smalle landweggetjes langs boomgaarden vol appels en pruimen. Tussen de weilanden houdt hij halt bij een bushokje. „Hier was de ingang van het kamp, met prikkeldraad en een toegangspoort”, wijst hij. Veel resteert er niet. Er ligt nog een voetbalveldje en langs het pokdalige asfalt staan wat oude administratiegebouwen. Op het bushuisje is de tekst ‘Mouvement Révolution Harkis’ gekalkt. De in 2001 onthulde gedenkplaat is een paar weken terug kapotgeslagen. Gasmi zegt niet te weten wie dat gedaan heeft. Maar het maakt de toch al troosteloze plek nog iets treuriger. Om het kamp te verlaten moest je toestemming vragen, herinnert hij zich. Bezoek ontvangen kon niet en om tien uur ’s avonds ging het hek dicht en het licht uit.

Foto Peter Vermaas
Foto Peter Vermaas
Foto Peter Vermaas
Boazma Gasmi rijdt stad en land af om de zaak onder de aandacht te brengen.
Foto’s Peter Vermaas

Na een opstand van jongeren, geleid door zijn broer Aïssa, is het kamp in 1975 definitief gesloten. ‘Weg met racisme, weg met segregatie’, had hij op spandoeken geschreven. En ‘Welkom in het concentratiekamp’, toen de prefect kwam kijken. De vlam sloeg in de pan, de oproerpolitie moest ingrijpen. „Het was voor de meeste Fransen voor het eerst dat ze hoorden van het bestaan van deze kampen”, zegt Aïssa Gasmi (66). Misschien ging het nog niet ver genoeg, denkt hij nu. Later in de jaren zeventig hoorde hij van de treinkaping door Molukkers in Nederland, vertelt hij. „Hun situatie was anders dan die van ons, maar ze waren misschien wel effectiever.”

De Gasmi’s hebben een paar leeftijdgenoten, allen zoons van harki’s, opgetrommeld. Bijna iedereen is hier na het kamp in de buurt blijven wonen. Middelen om verder weg te gaan waren er niet.

„Maar als ik hier langsrijd, komen de herinneringen altijd weer terug”, zegt Larbi Bouzaboun (57) die in het nabijgelegen Villeneuve-sur-Lot bij de gemeentepolitie werkt. Hij was één jaar oud toen hij hier kwam en woonde tot zijn vijftiende in het kamp. Hij vertelt over de militaire discipline, de vlagceremonie om 4 uur ’s ochtends, de wekelijkse douche tegen betaling van 50 centimes. En dan het schooltje dat volgens hem „bedoeld was om tot mislukkingen te leiden”.

Bij de opstand in 1975 ging het gebouw in brand. „Waarom mochten we niet gewoon met de Franse kinderen in het dorp naar school? We leefden in een openluchtgevangenis.” Als hij als agent in wijken met veel migranten komt, wordt hij nog altijd nagesist, zegt hij. „Voor veel Algerijnen is het woord ‘harki’ synoniem voor ‘verrader’”, zegt hij. Zo staat dat volgens Bouzaboun in Algerije ook in de schoolboeken.

„De Algerijnen moesten ons niet en de Fransen wilden ons wegvegen uit de geschiedenis om na de koloniale tijd een goede relatie met onafhankelijk Algerije op te bouwen”, zegt Aïssa Gasmi. „Daar konden ze ons verhaal niet bij gebruiken. Ze rekenen erop dat over een paar generaties niemand zich meer iets van onze zaak kan herinneren. Dat proberen wij te voorkomen.”

    • Peter Vermaas