Links: Bert Keizer. Rechts: Henk Blanken.

Foto Annabel Oosteweeghel

‘Als je dood wil moet je zelf de knoop doorhakken’

Euthanasie Mocht hij zwaar dement worden, dan moet zijn vrouw hem ongestraft dood kunnen maken, zegt schrijver Henk Blanken. Ouderenarts Bert Keizer vindt het een onzalig plan.

Henk Blanken, schrijver, heeft laatst in zijn broek geplast, „het sopte in mijn schoenen”. Moest hij zijn vrouw bellen, want hij had geen schone kleren bij zich. „Jezus man, wat rot”, mompelt ouderenarts Bert Keizer.

De hersenen van Henk Blanken (59) sterven langzaam af. Hij heeft de ziekte van Parkinson en spreekt onvast, zijn hoofd knikt, zijn handen beven. Wen je allemaal aan, zegt hij. Blanken weet niet hoe lang hij nog heeft voor hij invalide in een rolstoel zit – hij denkt nog vijf, zes, zeven relatief goede jaren te hebben. En hij weet dat veel parkinsonpatiënten uiteindelijk dement sterven.

Specialist ouderengeneeskunde Bert Keizer (70) heeft veel mensen met „die rotziekte” gezien. Sinds zijn pensioen werkt hij voor de Levenseindekliniek, waar hij ingewikkelde euthanasieverzoeken beoordeelt en soms ook euthanasie verleent. Keizer is één van de artsen die zich fel verzetten tegen euthanasie bij ernstig demente mensen, die niet meer wilsbekwaam zijn. Immoreel, vindt hij.

De ‘dementieval’

Ze zitten op verzoek van NRC in een café om te praten over Je gaat er niet dood aan, het nieuwe boek van Blanken waarin hij zijn ziekteproces beschrijft. Ze spraken er al eerder over in een uitzending van Radio Kunststof. „Laf”, noemde Keizer daarin een controversieel plan van Blanken over zijn eigen euthanasie.

Dat bedacht Blanken omdat hij niet in de ‘dementieval’ wil trappen. Om euthanasie te kunnen krijgen moeten patiënten nog relatief bij de tijd zijn, anders durven veel artsen geen euthanasie te verlenen. Blanken – de kans is groot dat hij dement wordt – wil niet „te vroeg” dood.

Ik besef dat ik niet echt bang ben voor de dood

Henk Blanken

Zijn idee: hij spreekt met zijn vrouw af dat zij mag beslissen wat er met hem gebeurt als hij zo ernstig dement is dat hij niet meer weet wie hij is. Ze mag hem laten leven, hoe dement ook. Maar als zij en de kinderen lijden onder wie hij is geworden, dan mag ze hem doden. Als ze dat wil mag het zonder hulp van een arts. De beslissing, leven of dood, ligt helemaal in haar handen.

Keizer: „Hoe ziet dat er in de praktijk uit?”

Blanken: „Op het moment dat mijn vrouw een bange man ziet, van wie ze weet dat hij nooit zo geleefd zou willen hebben… dan maakt ze me dood.”

Keizer: „Dat je eigen vrouw na een gesprek met de kinderen zegt: hij moet dóód?!”

Blanken: „Dan roert ze een pil door mijn pap.”

Keizer: „Ik zou die verantwoordelijkheid niet aan mijn geliefden willen geven.”

Blanken: „Maar ik mag het haar toch vragen?”

Keizer: „Ik vind van niet.”

Blanken: „Waarom niet?”

Keizer: „Als je dood wil moet je zelf de knoop doorhakken.”

Blanken: „Ik wil pas dood als ik zo dement ben dat ik daar niet meer toe in staat ben. Dat snap je toch wel?”

Keizer: „Mijn lullige beeld is dat jij na de maaltijd van het leven nog over de grond wil rondkruipen om ook de laatste kruimels te eten. Heb de moed vóór het dessert te zeggen dat het mooi is geweest. Dan ben je mijn man.”

Daarom dus „laf”, constateert Blanken.

Lijden besparen

De mannen kennen elkaar een beetje. Soms raken hun handen elkaar even. Vooraf hebben ze allebei gezegd dat ze een hard gesprek verwachten. Vinden ze niet erg, zeiden ze ook meteen.

Blanken houdt Keizer voor dat híj in ieder geval nadenkt over een oplossing voor demente mensen die euthanasie willen maar nog niet als ze nog relatief gezond zijn. „Jíj verleent mensen geen euthanasie als ze niet meer wilsbekwaam zijn. En je vindt het ook immoreel als we die verantwoordelijkheid aan een naaste zouden geven”, zegt hij. Keizer, onbewogen: „Wat jij wil kan niet Henk.”

Hij ziet het probleem wel. Bij mensen met beginnende dementie is Keizer geneigd euthanasie te verlenen als ze er zelf nog om kunnen vragen, om hen het lijden bij de diepe dementie te besparen. Maar als samenleving zijn we nog niet klaar om hun naasten het recht te geven hen te doden, vindt hij.

Lees ook: Hoe duidelijk moet een wilsverklaring zijn om euthanasie door te laten gaan?

Keizer stelt zich het fictieve verliefde stel Gerda en Koos voor. Gerda heeft al een partner, een man die diep dement is. Mogen ze die man dan doodmaken?

Henk Blanken knikt. Als die man van tevoren heeft besloten dat Gerda de verantwoordelijkheid krijgt, dan zou dat kunnen. „Die man beseft dat zelf niet meer”, zegt Blanken.

Keizer: „Oh! Die man vindt dat goed?! Sorry hoor, maar ik wil niet leven in een land waarin zoiets mogelijk is.”

Blanken: „Bert, wat zou jij dan willen als je in mijn situatie zat?”

Keizer: „Oh jeetje. Dan zit ik met een probleem. Ik heb geen idee. Er zijn grapjassen die tegen me zeggen: u wilt zeker ook euthanasie later? Nou, liever niet.”

Niet uit te leggen

De wekker op de telefoon van Henk Blanken gaat. Keizer legt een hand op zijn schouder. Vergeet je je medicijnen niet? Blanken haalt een doosje pillen uit zijn tas.

Het gesprek komt op verval. Blanken schrijft erover in zijn boek. Hij heeft altijd gedacht dat het leven „alleen schitterend kon zijn als je ook de smaak wilde proeven van verval”. Keizer wil weten of hij dat nog steeds meent.

Parkinson en dementie zijn tijgers waarmee ik nooit heb gevochten

Bert Keizer

Blanken denkt lang na: „Ik geloof het wel. Hoe gruwelijk ook, deze ziekte is ook echt mooi. Ik heb een maand in een verpleeghuis gezeten om mijn medicatie te stabiliseren. De totale verwarring van een vrouw met wie ik daar altijd stond te roken. Een man die alle controle heeft verloren en met zijn kin voorover zakt in een bord zuurkool. Als je zo diep in de shit zit, dan weet je wat leven is. Die confrontatie met lijden heeft me veel geleerd over het leven.”

Keizer: „Had je niet liever de ziekte niet gehad?”

Blanken: „Natuurlijk…”

Keizer: „That’s my man!”

Blanken: „Maar ik aarzel. Ik vind het moeilijk om te zeggen, maar ik ben een betere schrijver geworden. Dit boek had ik niet willen missen. Dat is niet uit te leggen aan mijn gezin en vrienden, want zij betalen de prijs, maar het is zo. En ik heb geleerd na te denken over leven en dood, de betekenis van leegte, traagheid, liefhebben. Ik besef dat ik niet echt bang ben voor de dood.”

Bert Keizer: „Parkinson en dementie zijn tijgers waarmee ik nooit heb gevochten.”
Henk Blanken: „Ik besef dat ik niet echt bang ben voor de dood.”
Links: Bert Keizer. Rechts: Henk Blanken.
Foto’s Annabel Oosteweeghel

Keizer luistert aandachtig. Steekt dan zijn hand over de tafel, bekijkt zijn vingers. „Je kunt er om lachen, maar ik vind mijn handen mooi. Ik vind het zo zonde, zo angstwekkend dat die naar de klote gaan. Het feit dat ik er niet meer zal zijn zit me erg dwars. De liefde die ik voel voor mijn kinderen. Dat het allemaal gewoon stopt.”

Blanken: „Jij bent hartstikke bang voor de dood.”

Keizer: „Mensen vragen altijd aan mij of ik rustiger ben geworden door zo vaak bij de dood te zijn. Mijn antwoord is ‘nee’.”

Blanken: „Het kost jou grote moeite om je te verplaatsen in mijn lot.”

Keizer: „Ik heb het nooit doorgemaakt. In dat opzicht heb ik nooit erg geleden. Mijn moeder stierf toen ik elf jaar was, daar ben ik overheen. Mijn vader toen hij 87 was. Het gewone lijden beslaat een aardig deel van je leven, maar Parkinson en dementie zijn tijgers waarmee ik nooit heb gevochten.”

Onbegrijpelijk

Dan wil Bert Keizer, van oorsprong filosoof, het hebben over hoe de samenleving denkt over dementie. Pas als we het daarover eens zijn, kunnen we anders over euthanasie gaan denken, zegt hij. Hij begint over comapatiënten bij wie de behandeling wordt gestaakt als duidelijk is dat er geen kans is op verbetering.

Keizer: „We beschouwen hen dan bij leven als ex-mens en accepteren dat we ze mogen doden. Zo zouden we in theorie ook ooit over zeer demente mensen kunnen gaan denken. Maar over dementie hebben we zo’n gesprek nog nooit gevoerd.”

Blanken: „Nu zeg je precies wat ik ook voel. Dat gesprek moeten we voeren. Maar ik wil er zelf ook iets over te zeggen hebben. Ik wil er nu ik nog goed ben samen met mijn vrouw voor kiezen dat zij straks de knoop doorhakt, al legt dat een zware claim op haar.”

Keizer: „Het blijft een rottige vraag voor haar. Die moet je jezelf stellen.”

Blanken: „Ik wil niet te vroeg dood.”

Keizer: „Dan loop je een paar maanden mis. Is dat zo bijzonder?”

Blanken: „Hoor nu wat je zelf zegt! Het kunnen ook drie jaar zijn. Je zegt nu tegen al die honderden mensen die euthanasie kregen toen ze nog niet diep dement waren dat hun leven niks meer waard was. Tsjakka, weg ermee.”

Keizer: „Dat is wat ik zeg.”

Blanken: „Onbegrijpelijk. En wreed. Je legt jouw norm over wat een goed leven is op aan al die mensen.”

Keizer: „Dat is waar, daar heb je gelijk in. Ik ben gewoon een arts die kijkt hoe we met jouw idee naar de praktijk kunnen. Maar ik zie het niet.”

Blanken: „Ik hoop dat er een uitweg komt. Het mag geen taboe zijn om je demente geliefde te willen helpen met sterven. Al snap ik ook wel, Bert, dat ik het niet ga meemaken. Ik ga er geen lol meer van hebben.”

Lees ook: Ze besefte niet dat ze euthanasie kreeg

De reacties op zijn boek – en het interview met NRC – zetten Henk Blanken aan het denken, zegt hij een week later aan de telefoon. Zijn vrouw ook. Het beeld van die pil in de pap laat haar niet los. Ze wíl haar man helemaal niet doodmaken als dat niet hoeft. Al pratend zoeken ze een oplossing. Misschien, zegt Blanken, is het al voldoende als zijn vrouw als ‘gevolmachtigde’ een arts om euthanasie kan vragen wanneer hij dat zelf niet meer kan. Hij belde Bert Keizer. Die denkt dat het geen verschil maakt, omdat Blanken volgens de wet zelf om euthanasie moet verzoeken.

Blanken: „Maar als mijn vrouw mijn wens om te sterven wél mag bevestigen, zijn mogelijk meer artsen bereid het te doen. En voelt het voor haar veiliger.”

Reageren

Reageren op dit artikel kan alleen met een abonnement. Heeft u al een abonnement, log dan hieronder in.

    • Enzo van Steenbergen