Recensie

Uitgebeende muziek en minimalisme in Kurtágs ‘Fin de partie’

Opera

Op zijn 92e debuteert Kurtág bij La Scala als operacomponist. Fin de partie, in een regie van Pierre Audi, is een duistere, meeslepende patstelling.

‘Fin de partie’ is een opera met post-apocalyptische trekjes, gebaseerd op het gelijknamige toneelstuk van Samuel Beckett. Beeld Scala

Het begint met een wonder: dat deze opera überhaupt bestaat. De componist, György Kurtág, is 92. Kurtág, koning van het kleinood, had lang geleden al besloten dat het genre niet voor hem was weggelegd. En toch leverde hij met Fin de partie een ruim twee uur durend muziektheater zonder pauze af, gebaseerd op het gelijknamige toneelstuk van zijn literaire held Samuel Beckett. Donderdag was de wereldpremière in La Scala in Milaan, in een regie van oud DNO-directeur Pierre Audi. In maart is de opera in Amsterdam te zien.

Lees ook: Componist Kurtág (90) zong elke noot voor. Telefonisch

Het wonder is geschied. Maar is Fin de partie ook geslaagd? Het is een gedenkwaardige theaterervaring, mede dankzij de formidabele solistencast en de uitmuntende leiding van dirigent Markus Stenz. Maar je kunt je afvragen of Kurtág zichzelf een dienst heeft bewezen door zijn ingekookte zeggingskracht in een avondvullende voorstelling te kiepen. Er waren zwakke plekken, wat haast onvermijdelijk is in een werk van twee uur. Anderzijds getuigt het van lef en bravoure, en belangrijker: in grote delen van Fin de partie loste Kurtág de verwachtingen wel degelijk in.

Fin de partie (‘eindspel’) is een patstelling met post-apocalyptische trekjes. De autoritaire Hamm is blind en zit in een rolstoel. Zijn ouders Nagg en Nell leven in vuilnisbakken. Alleen Clov kan zich vrijelijk bewegen, maar hij leidt een slavenbestaan als bediende van Hamm. De karakters zijn vocaal goed getroffen: Hamm (bas Frode Olsen) klinkt met zijn glijtonen als een schorre, scheldende oorlogsinvalide, Nell (mezzo Hilary Summers) krijgt hysterisch grote intervallen, Nagg (tenor Leonardo Cortellazzi) is een nasaal-lyrisch anachronisme. Bariton Leigh Melrose excelleert als de trekkebenende en stamelende neuroot Clov, hopeloos met zichzelf in de clinch, niet in staat Hamm te verlaten.

Nostalgische momenten

Kurtágs handtekening: uitgebeende muziek die voortdurend van kleur verschiet, dicht op de huid van de minimalistische handeling. Wanneer Clov een wekker laat afgaan klinkt er een gigantisch rinkelend orkesttremolo. Noodzakelijkerwijs is de spanningsboog ruim en daarin schuilt ook een gevaar: de kwartieren rijgen zich aaneen en de suizende bekkens, nurkse koperkronkelingen, het tasten en horten en stoten die het wezen van Kurtágs kunst uitmaken, worden soms voorspelbaar.

De ontroerendste momenten zijn nostalgisch, waarbij Kurtágs muziek het cynisme van Becketts woorden verzacht. Hamm bezingt wat hij zou doen als hij niet invalide was – rennen, het bos in – en het orkest brengt zijn gefnuikte dromen expressief tot leven. Nell herinnert zich de aprilmiddag die Nagg en zij doorbrachten aan het Comomeer: haast Debussy.

Lees ook: Met vernuftig fonkelende dood van Orfeo neemt Audi afscheid van De Nationale Opera

Pierre Audi beantwoordt Becketts dramatische stilstand en Kurtágs beweeglijke muziek met een gewaagd statische regie. Het grauw-glanzende bühnebeeld van Christof Hetzer wordt gedomineerd door een opengewerkte baboesjka-serie van drie huizen. Waar Beckett de handeling nadrukkelijk in een interieur plaatst, zet Audi zijn protagonisten vóór een huis – met als gevolg dat Clov op zijn laddertje bij het raam niet naar buiten, maar naar binnen kijkt.

Met één grote ingreep tilt Audi de stasis naar een hoger plan. Herhaaldelijk valt kort het doek, waarna de configuratie van de elementen – huizen, rolstoel, vuilnisvaten – veranderd is. De logica van die mutaties is intuïtief: alles beweegt onafhankelijk van elkaar, met bevreemdend effect. Het opent een onthecht perspectief dat de illusie van identificatie door het publiek doorbreekt. De spelers zijn stukken op een schaakbord, vastgelopen in een uitzichtloos eindspel. Iemand die niet bestaat draait aan de knoppen. Ons rest marginaal geschuifel.

    • Joep Stapel