Opinie

Nee, Vestdijk is geen dinosaurus in de letteren

Letterkunde Vergeten worden, dat lot treft vroeg of laat de meeste dode schrijvers, maar het is onzin dat ze ons niets meer te zeggen zouden hebben, betoogt .

Deze maand is in Harlingen voor de twintigste keer de Anton Wachterprijs uitgereikt, de tweejaarlijkse prijs voor het beste literaire debuut. Dit keer kreeg Ellen de Bruin hem voor haar roman Onder het ijs. Grootheden als Frans Kellendonk en A.F.Th. van der Heijden waren de eerste bekroonden. Door de associatie met het werk van Simon Vestdijk (1898-1971) – met name de acht romans rond zijn autobiografische hoofdpersoon Anton Wachter – is de prijs lange tijd vrijwel exclusief voorbehouden geweest aan mannelijke auteurs. Onder de eerste veertien winnaars was Tessa de Loo de enige vrouw (met De meisjes van de suikerwerkfabriek), maar sinds een jaar of tien tekent zich een kentering af, zoals in onze hele literatuur. Van de laatste zes bekroonden zijn er vijf vrouw.

Ter gelegenheid van het twintigste jubileum was er in Harlingen een klein symposium belegd waarin winnaars uit het verleden praatten over de vraag wat Vestdijk voor hen nog betekent, bijna vijftig jaar na zijn dood. Jarenlang was Vestdijk onze kandidaat voor de Nobelprijs en zijn immense oeuvre (meer dan vijftig romans, vele verhalen, gedichten en essays) was een voorbeeld voor de generatie schrijvers die in de jaren zeventig aantrad, van Maarten ’t Hart tot Doeschka Meijsing.

Makkelijk behappen

Van dat aanzien bleek tijdens de discussie in Harlingen weinig over. Het helpt niet als je zo’n onafzienbaar oeuvre nalaat. Een bescheiden schrijver als Nescio is makkelijker te behappen, en wij voelen ons er als Nederlanders ook prettiger bij. In Harlingen bleken de jongere schrijvers nauwelijks iets van Vestdijk te hebben gelezen en de suggestie dat je daar iets aan zou kunnen hebben, wekte irritatie op. Vestdijk is de Ultieme Dode Witte Man in onze letteren.

Zo merkte een van de sprekers op hoe oubollig het was dat elk hoofdstuk in Vestdijks essayboek over poëzie, De glanzende kiemcel, begon met de aanhef ‘Mijne heren’, zonder te vermelden waarom. Maar Vestdijk schreef die lezingen in het kamp Sint-Michielsgestel, waar de Duitsers hem in 1942 als gijzelaar gevangen zetten. Er zaten geen vrouwen in het kamp.

Lees ook: Leg Vestdijk op de toonbank en laat niemand ontsnappen

Een andere schrijver had voor de gelegenheid de Anton Wachterromans van de plank gehaald en las een paar passages voor, over de lullige manier waarop de titelheld met vrouwen omging. Hoe Ina Damman, die het volle gewicht van Vestdijks idealisering moest dragen (in ruil droeg hij haar schooltas), haar vriendinnen had gevraagd haar niet alleen te laten met die vervelende jongen.

Het werd gepresenteerd als een duidelijk geval van case closed. Vestdijk was een dinosaurus met achterhaalde ideeën over vrouwen en een madonna-hoercomplex waar we niet meer op zitten te wachten. Er is alleen een probleem met deze literaire koppensnellerij. Vestdijk was ons al voor in dit oordeel, want hij schilderde zichzelf zo negatief af. Wanneer Ina klaagt over Anton, heeft de schrijver dat bedacht. De acht delen van de Anton Wachter-cyclus vormen één schitterende marathon van zelfkritiek. Het vergt moed van een schrijver om zich zo antipathiek voor te stellen, we zijn er alleen niet meer aan gewend.

Kasplantje van de letteren

In ons land is schrijvers een kort leven beschoren. Precies twintig jaar geleden schreef Pieter Steinz, naar aanleiding van drie Vestdijk-verfilmingen, in NRC dat niemand nog „het kasplantje van de Nederlandse literatuur” las. Op dat moment waren er tien Vestdijktitels direct leverbaar, en zijn werk werd meermaals verfilmd. Steinz’ verhaal noemen we een self-fulfilling prophecy, maar er zou een goed Nederlands woord voor moeten zijn, want zo gaan wij met onze literatuur om. Wanneer een schrijver dood is, schrijven we hem of haar de grond in.

Alleen al dit jaar zijn er voorleesmarathons gehouden van James Joyce’s Ulysses (Bergen op Zoom) en Tolstoj’s Anna Karenina (Utrecht), maar niemand wil nog dood aangetroffen worden met een boek van Couperus of Vestdijk, uit een sneu snobisme dat grote literatuur per definitie van ver moet komen, want hier gebeurt nooit iets. In Ulysses gebeurt ook niets.

Man-vrouwrollen

Het ligt niet aan Vestdijks kijk op man-vrouwrollen, of aan zijn intimiderende intellectualiteit. Want hetzelfde lot wacht Harry Mulisch en Jan Wolkers. We moeten niet in het verleden blijven steken, maar het grotere probleem is dat onze literatuur geen geschiedenis heeft. Als we onze letteren willen redden van de totale ontlezing, helpt het om te kijken hoe onze buurlanden het doen. Joyce en Virginia Woolf liggen niet in de winkel omdat forensen die schrijvers in de ochtendspits lezen (al is het niet verboden), maar omdat ze verplicht zijn in het onderwijs. En bij ons moet op scholen ook zo’n vaste lijst komen met Max Havelaar, De stille kracht, De koperen tuin, Oeroeg, Robinson, De aanslag en De donkere kamer van Damokles. Op al die boeken is wel wat aan te merken, en zo hoort het ook. Literatuur is een permanente discussie. Maar dan moet we die boeken wel eerst lezen.

Reageren

Reageren op dit artikel kan alleen met een abonnement. Heeft u al een abonnement, log dan hieronder in.