Het sneeuwdek in Nederland (hier in december 2017) is gemiddeld nog slechts half zo dik als in de jaren vijftig.

Foto ANP/Robin Utrecht

De sneeuwdikte in Europa is flink afgenomen

Klimaat

Uit de analyse van langjarige meetreeksen van amateurs en weerstations blijkt dat het winterse sneeuwdek in Europa op de meeste plaatsen snel dunner wordt.

Op een paar gebieden na is in Europa de dikte van het winterse sneeuwdek sinds de jaren 50 afgenomen. En sinds circa 1980 versnelt die afname.

Dat schrijven onderzoekers van de Wageningen Universiteit en het KNMI in het tijdschrift Geophysical Research Letters.

Eerste auteur is de Spaanse student Adrià Fontrodona Bach, die twee weken geleden als hydroloog afstudeerde aan de Wageningen Universiteit. Aan de telefoon geeft hij vanuit Barcelona uitleg over zijn onderzoek.

Waar neemt de dikte van het sneeuwdek niet af?

„In het noorden van Scandinavië bijvoorbeeld, in sommige delen van Rusland, in Tsjechië. Daar is het winterse sneeuwdek de afgelopen 67 jaar gelijk gebleven, of toegenomen.”

Toegenomen? Ondanks de opwarming van de aarde?

„Doordat de lucht opwarmt, kan hij meer waterdamp bevatten. Je krijgt meer neerslag. Dat zal op steeds meer plaatsen en ook vaker in de vorm van regen zijn, maar sommige gebieden zijn ’s winters nog steeds zo koud dat de toenemende neerslag als sneeuw valt.”

Hoe wordt de dikte van het sneeuwdek bepaald?

„Dat verschilt per land. In Nederland gebruiken ruim 300 vrijwilligers, vooral boeren, handregenmeters. Je kunt daarmee ook de dikte van de sneeuwlaag meten. Elke ochtend geven ze de waardes door aan het KNMI. In andere landen zijn er stations met sensoren die vanaf een paar meter boven de grond de afstand tot het oppervlak meten.”

Hoe betrouwbaar zijn de metingen?

„Dat loopt erg uiteen. Ik heb drie verschillende datasets bestudeerd, ook eentje van weeramateurs. Uiteindelijk bleek slechts één dataset geschikt, omdat de waardes daarin gevalideerd zijn. Maar ook voor deze dataset heb ik me beperkt tot de maanden december, januari en februari, omdat de kwaliteit van de andere maanden niet voor alle landen even goed was.

„Verder heb ik moeten corrigeren voor de grote variatie in aantallen meetstations per land. Nederland, Duitsland en Tsjechië hebben er bijvoorbeeld veel meer dan het Verenigd Koninkrijk, IJsland en Zwitserland.”

En wat is de trend?

„Over de hele periode, van 1951 tot 2017, neemt de gemiddelde dikte van het sneeuwdek over die drie maanden met bijna 13 procent per decennium af. Er valt minder sneeuw, en de sneeuw die valt smelt sneller.”

Maar na circa 1980 ziet u een versnelling van die afname?

„Ja. Als je de hele periode opsplitst komt de afname vóór 1980 uit op zo’n 4 procent. En daarna op bijna 20 procent.

„In Nederland kwam het gemiddelde in de periode 1951-1970 uit op 0,89 centimeter. In de periode 1998-2017 was het gedaald tot 0,36 centimeter.”

Een afname voor Europa van bijna 20 procent per decennium, wil dat zeggen dat we over 50 jaar geen sneeuw meer hebben?

„Nee, de afname is niet lineair. Stel de gemiddelde dikte is 10 centimeter sneeuw. Een decennium later heb je iets meer dan 8 centimeter over. Weer tien jaar later is er 20 procent van die bijna 8 centimeter af, en kom je op 6,6 cm.

„Bovendien is ons onderzoek historisch. Het is niet gezegd dat de trend zich precies zo voortzet in de toekomst. Maar ik vind ’m wel alarmerend. Het kan gevolgen hebben voor de hoeveelheid zoet water die in de lente afstroomt, het kan tot meer droogte in de zomer leiden, tot meer regenerosie in de winter.”

Zijn daar al tekenen van?

„Dat hebben we niet onderzocht.”

Een publicatie in Geophysical Research Letters is voor een student bijzonder. Ben je cum laude afgestudeerd?

„Nee, net niet. Daarvoor moet je cijfergemiddelde een 8 zijn. Bij 7,95 overlegt een commissie wat te doen. Mijn gemiddelde was 7,89.

„Maar die publicatie, en dit interview, zijn ook al een speciale erkenning voor mijn masterstudie.”

    • Marcel aan de Brugh