Foto David van Dam

‘Aan cynisme heb ik nooit willen toegeven’

Carla Josephus Jitta (1931) overleefde als meisje de kampen Westerbork en Theresienstadt. Na de oorlog verloor ze in een paar jaar al haar familieleden. „Ze hadden ons naar een therapeut moeten sturen of zo. Maar zo was de tijd niet.”

Where is the Anne Frank House? In de 37 jaar dat Carla Josephus Jitta (1931) op de Prinsengracht woonde, werd die vraag haar vaak gesteld. Ze gaf antwoord, wees naar de overkant, en verwonderde zich in stilte. „Al die zoekende toeristen hadden geen flauw idee dat ze tegen een soort Anne Frank spraken”, zegt ze. „Terwijl haar verhaal steeds magischer werd. Dat is gek om te ervaren.”

Jitta moet Anne Frank zelfs gekend hebben, ze zaten in dezelfde barak in Westerbork. Maar ze weet het niet meer. „Mensen die al snel op de trein naar het oosten werden gezet, vergat je weer. Zelfbehoud.”

Zij overleefde de oorlog wel. Het werd een leven van worstelen en weer boven komen, zoals Jitta het boek noemde dat ze in 2015 in eigen beheer publiceerde. „Iedere keer als ik dacht dat ik mijn leven terug had, hup, dan gebeurde er weer wat. Verlies, dood, ziekte; ik heb heel veel schokken gehad.” Dit is haar verhaal.

Een fijn huis in Amsterdam-Zuid: zij de grote kinderkamer, haar broer Alfred de kleine. Een inwonend kindermeisje. Racen op straat met de autoped. Spelen met de kinderen uit de buurt en altijd, ook in de zandbak, witte kniekousen aan. Een echte ijskast in de tuin. ’s Zomers naar Bergen aan Zee, op zondag Artis of een museum.

Het gezin was joods, maar las de bijbel. Over het jodendom ging het nooit. Toen Carla aan haar moeder vroeg of ze „eigenlijk joden” waren, antwoordde zij: ‘Eigenlijk niet’. En op de vraag of er oorlog zou komen: ‘Ik denk het niet’. „Mijn ouders hadden de dreiging niet zo in de gaten.”

Afscheid

Maar het was, zoals Carla later schreef, alsof zich langzaam een net om het gezin sloot. Steeds strakker. Eerst verdween het antiek uit huis. Toen de meubels, de centrale verwarming, de telefoon. De padvinderij van Carla en Alfred werd verboden, vader moest weg bij de luchtbescherming, er werden sterren op kledingstukken genaaid.

‘Zal ik Carla maar vast meenemen?’, zei een vriendin van haar ouders in de zomer van 1942. En zo verhuisde ze naar tante Trui, oom Bart en Joke, een meisje van haar leeftijd. Alfred ging naar een familie in Bussum. Echt onderduiken was het niet: ze hadden papieren dat ze half-joods waren, gingen gewoon naar school en zagen hun ouders geregeld. Tot ze in de ochtend van maandag 25 januari ’43 kwamen vertellen dat zij zouden onderduiken. Komen jullie terug, vroeg Carla – zo vaak, dat haar moeder wel ‘ja’ moest antwoorden.

Er werd nooit meer over gesproken. ’s Avonds huilde ze in bed, bang. Pas jaren later achterhaalde ze dat haar ouders nooit op hun onderduikadres zijn aangekomen. De man die hen naar een veilige plek zou brengen, G.J.H. Ganzevles, die na de oorlog de doodstraf kreeg, leverde hen op een tussenstation af aan de Sichterheitsdienst. Op 9 april werden ze in Sobibor vergast.

In de nacht van 21 juni ’44 kwamen ze Carla halen. Voetstappen op het grindpad. In de cel in Bussum waar ze haar heenbrachten, zat Alfred. Ontdekt tijdens een zoekactie op zijn adres.

Westerbork, barak 65 t/m 67. Alfred moest kousen breien, zij nagelborsteltjes maken – ze zou het nog kunnen. Stamppot van snijbonen, de afschuwelijke nacht vóór de dinsdag, waarin de namen werden opgelezen van de mensen die op transport moesten. „Ik wist: daar moet ik niet bijzitten, want ik wilde niet dood, al weet ik niet of ik wist wat dood was.” Ze zag hoe mensen probeerden te ontkomen. „Dat was verschrikkelijk – door anderen erin te duwen. Dat maakte een ontzettende, vreselijke indruk. Ik dacht dat grote mensen dat soort dingen niet deden.

„Mensen die al snel op de trein naar het oosten werden gezet, vergat je weer. Zelfbehoud.”

Vrijheid

„Ik herinner me een verhaal uit het kamp van een meisje met gescheiden ouders: haar moeder had ervoor gezorgd dat haar vader op de transportlijst kwam. Het was alsof je door mensen heen kon kijken, naar hun verschrikkelijke eigenschappen. Als iedereen verdrinkt, dan redt iedereen zichzelf – dat is wat er gebeurde.”

David van Dam

Geantedateerde doopbewijzen, op het nippertje toegestuurd door de Remonstrantse Broederschap, werden hun redding. Theresienstadt in plaats van Auschwitz. Hun grootmoeder was bij hen.

De vrijheid kwam met de trein, 5 februari 1945. Op een dag stonden er passagierswagons klaar (geen veewagens). Er mochten 1.200 mensen mee. Het gerucht ging dat de trein naar Zwitserland ging – maar zeker weten deed je nooit. Grootmoeder dacht dat het een val was, Alfred geloofde het gerucht vurig. Carla koos voor hem. Ook grootmoeder ging mee in de vaste overtuiging dat het hun dood zou worden.

Carla Jitta was altijd bang in de oorlog, maar liet het niet merken. „Ik hield me vast aan de geestelijke bagage die ik van thuis had meegekregen: je zult flink zijn. En: doe wat je hartje je ingeeft. Ik denk dat ze tegen Alfred hadden gezegd dat hij goed voor mij moest zorgen.”

Verlies

Hoe ging het daarna? De gebeurtenissen: Carla en Alfred bleven ruim een jaar in Zwitserland, ze sterkten aan (al kreeg Carla tyfus) en gingen naar school. Grootmoeder overleed. In de zomer van ’46 gingen ze terug naar Nederland: Carla naar het gezin waar ze in de oorlog gewoond had en Alfred naar goede vrienden van hun ouders. Carla deed een opleiding tot medisch analist, werkte eerst op de kinderkliniek van het voormalige Binnengasthuis, daarna op de afdeling dermatologie.

Grote klappen. De dood van de pleegouders van Alfred, in ’48, bij een vliegtuigongeluk. Alfred had ze mammie en pappie genoemd. Hij raakte depressief, stopte met zijn studie. Carla voelde zich radeloos. Ze moest van school toen ze twee keer in dezelfde klas bleef zitten.

Ze kreeg tuberculose. De eerste keer, in ’52, duurde twee jaar. Afgesloten van het leven waar ze zo graag weer aan wilde deelnemen. De tweede keer, in ’57, duurde een jaar. Haar tante was inmiddels omgekomen bij een auto-ongeluk.

In ’64 trouwde Alfred. Het ging goed met hem, eindelijk. Maar een jaar later kwam hij om bij een auto-ongeluk. Hij was het laatste familielid dat ze had.

Welke uitwerkingen had dit op haar? De dood van Alfreds pleegouders, haar tante en haar broer, zijn „hele ingewikkelde dingen” geweest, zegt ze. „Allemaal tegennatuurlijk overlijden. Klap na klap. Voor de oorlog was ik een vrolijk meisje, na de oorlog ernstiger. Al wilde ik blij doen: ik praatte helemaal niet over de oorlog. Ik dacht dat ik me moest aanpassen aan de nieuwe omstandigheden.”

Ze verlangde wel erg naar haar ouders. „Maar ik wilde ook gewoon weer in het leven opgenomen zijn. Dat is vrij goed gelukt, voor de buitenwereld.”

Ze was jarenlang bang dat haar ouders niet meer leefden. „Maar ik bleef hopen en kon er niet over praten. Er is geen volwassene geweest die daar doorheen brak. Die zei: luister, ze zijn er niet meer. Dat neem ik ze wel een beetje kwalijk. Ze hadden ons naar een therapeut moeten sturen of zo. Maar zo was de tijd niet. Praten, dat deed je niet.” De dood van haar ouders heeft ze „vanzelf begrepen”.

„In 1960 ging ik in psychoanalyse. Toen werd me duidelijk dat de oorlog een grotere invloed op mijn leven had dan ik me had gerealiseerd. Vriendschappen sluiten ging me goed af, maar concentreren lukte me niet. Ik haalde mijn staatsexamen niet, voor Latijn had ik een 2, terwijl ik talig ben. Ik was vaak angstig. Wat is er toch mis met mij, dacht ik vaak, waarom kan ik niets? Ik dacht dat ik dommer was dan ik was.

Geluk

„Het is gek om te zeggen, maar ik ben vrij gelukkig geworden. Dat zit in jezelf, hè. Het is een instelling. Aan cynisme heb ik nooit willen toegeven, dan kun je je wel opknopen. Ik heb niet bereikt wat ik wilde bereiken, ik had medicijnen willen studeren, trouwen en kinderen krijgen. Dat is allemaal niet aan de orde geweest. Maar ik ben toch geen ongelukkig mens.

„Ik kijk op een andere manier naar de wereld dan mensen die de oorlog niet hebben meegemaakt. Wat zou jij onder die omstandigheden gedaan hebben, dat denk ik zo ontzettend vaak. Van een mooi uniform ben ik niet onder de indruk, als mensen belangrijk doen, moet ik lachen. De generatie van nu weet wat dat betreft van niks.

„Door wat ik in de kampen heb gezien, ben ik principieel over euthanasie. De dood mag je zelf in de hand hebben, maar je moet dat niet aan een ander overlaten. Dan geef je diegene de gelegenheid iets te doen waarbij gevoelens kunnen opkomen die niet zo positief zijn. Machtsgevoelens. Die bestaan, dat is geen verzinsel van mij. Wat dit onderwerp betreft geloof ik niet zo in de goedheid van de mens, al ben ik, gek genoeg, mijn vertrouwen in mensen nooit verloren. Daarom vind ik dat je er voorzichtig mee moet zijn. Het leven is mij te kostbaar.”

    • Mirjam Remie