Recensie

Doodsangst in een bedompte kerker

Muziek over revoluties

De Franse pianist David Kadouch maakte zijn debuut in de pianoserie van het Muziekgebouw, met een even gevarieerd als hecht doortimmerd programma.

David Kadouch Marco Borggreve

Eerlijk zeggen: wie had er weleens gehoord van de Franse pianist David Kadouch? Iemand? En toch, wie door zijn biografie bladert, leest over concerten met sterviolist Itzhak Perlman, een bliksemdebuut in Carnegie Hall en leermeesters als Perahia, Pollini en Barenboim.

Hoog tijd dus voor een solodebuut in Nederland. Vrijdag trad Kadouch aan in de pianoserie van het Muziekgebouw, met een even gevarieerd als hecht doortimmerd programma rond het thema ‘revolutie’.

Neem de Boheemse pianist en componist Jan Ladislav Dussek, die met zijn zelden gehoorde klaviercyclus Les souffrances de la Reine Marie Antoinette het wrede einde van de Franse vorstin vereeuwigde. In de naweeën van de Franse Revolutie werd zij na twee jaar gevangenschap een kopje kleiner gemaakt op de Place de la Concorde. Bij Dussek hoor je het allemaal voorbij komen in levendige toonschilderingen: van eenzame doodsangst in een bedompte kerker tot de genadeklap van de valbijl.

Kadouch speelde meeslepend verhalend, met gespierde bassen, krachtige fortes en messcherp geaccentueerde ritmes. Een minpuntje was dat zijn spel ook in de meer delicate passages nogal compact en puntig bleef. Zo klonk Marie Antoinettes laatste schietgebedje weliswaar zacht, maar nergens echt sereen door wat hoekige middenstemmen.

Een soortgelijke paradox tekende het langzame deel uit Beethovens Lebewohlsonate. Ja, Kadouch’ toucher was licht, zijn klank omfloerst, maar zelden hadden de noten het innige ‘cantabile’ waar Beethoven in de partituur om vraagt. In de hoekdelen was Kadouch echter magistraal: korzelig hamerend in het openingsdeel, juichend bravourespel in de finale.

Eenmaal ontketend tekende Kadouch met katachtige uithalen voor een gedenkwaardige uitvoering van Chopins Eerste scherzo (hier bloosde de lyrische middenpassage wel degelijk). In Janáčeks Sonate 1.X.1905 laveerde hij mooi tussen knoestige begeleidingsfiguren en melodische hart-op-de-tong-momenten, om in Rzewski’s Winnsboro Cotton Mill Blues van stampende clustermachine te transformeren tot soulvolle bluespianist.

    • Joep Christenhusz