Opinie

    • Willem Pekelder

Rap-poëzie

Een uitpuilende bibliotheek bij het afscheid van stadsdichter Derek Otte. Jong en oud, hoofddoeken en brede schouders. Onthullend en hoopvol tegelijk: de havenstad mint de muze. Er werd gejoeld, geapplaudisseerd en gelachen. En daar tussendoor presenteerde Otte de erfenis van twee jaar stadsdichterschap: Woorden zijn daden. Een terechte titel. Met zijn gedichten probeerde hij bij te dragen aan meer gelijkheid en minder geruzie in de stad.

Dat deed hij vanaf zijn allereerste stadsgedicht Nou en of: „Of ik jou moet of jij mij mag / of jij nou wit terwijl ik zwart / soms hand in hand / vaak hart tot hart.” Lees het hardop en ontdek de ritmiek. Het is rap-poëzie.

De bundel doorbladerend valt op hoe ontstellend vaak Otte optrad: voor mantelzorgers en Hotel New York, voor Humanitas en het HipHopHuis. Zijn taalgebruik is uitgebeend. Sommigen vinden hem geen echte kunstenaar. Het deert Otte niet.

Zijn werk is oprecht. Zoals in Omkijken maakt rijk, tegen eenzaamheid. „Voor de grootste problemen / is de oplossing vaak klein /voor wie verder niemand heeft / kun jij zo’n oplossing zijn.” Vaak onvervalst Rotterdams. Bij de raadsverkiezingen dichtte hij: „Echte Rotterdammers (m,v,x) – ken je kijken, met je muil – schoon genoeg van hokjes / ik maak er geen woord aan vuil.” En het is in zijn eenvoud soms ontroerend. Op de uitvaart van een Aziatisch jongetje, dat dood in een vuilniszak werd gevonden, declameerde Otte: „Meer vragen dan dagen / geen antwoord te pakken / je wiegje de aarde / ’t zou niet mogen passen.” In de bibliotheek peinsde hij: „Pas rond zo’n anoniem grafje zijn we één. Waarom niet eerder?”

Otte trachtte de multiculturele stad aaneen te smeden. Je zou hem met een gedateerd woord volksverheffer kunnen noemen. Een engagement dat niet iedereen kon waarderen. Op de Meent kwam Otte ooit een man tegen die riep: „Je politieke mening vind ik verschrikkelijk, maar je kunt het verdomd mooi opschrijven.”

De stad ademde poëzie tijdens het stadsdichterschap van deze jonge muzenzoon. Een overvolle bibliotheek ten afscheid getuigde daarvan. Na afloop vroeg ik Otte: wat vind je zelf dat je in die twee jaar hebt bereikt? Hij keek me zwijgend aan, wees naar de zaal, en zei: „Dát!”

    • Willem Pekelder