Opinie

Kerstbestand

Wijze woorden, donderdagmiddag in Haarlem. Rechter Antoon Schotman deed uitspraak in een kort geding, aangespannen door tegenstanders van Zwarte Piet. Hun eis om de Sinterklaasintocht in Zaandam te verbieden was kolderiek en werd zonder veel inspanning niet-ontvankelijk verklaard, maar daar liet de rechter het niet bij. Hij begreep dat er meer van hem werd verlangd dan alleen een formeel oordeel en besloot de zitting met een pleidooi voor wederzijds begrip en dialoog – ook al omdat de politiek, premier Rutte voorop, hier de vingers niet aan wil branden en de kiezen stevig op elkaar houdt.

‘Een groot staatsman’ noemde Rutte onlangs zijn voorganger Wim Kok – woorden die uit zijn mond klonken als een exotisch gerecht. Als hij al gedachten heeft over deze kwestie die het land verdeelt, dan houdt hij ze goed verborgen. Waar een principieel betoog voor het recht op demonstratie en een krachtige oproep tot het bewaren van de vrede op zijn plaats zou zijn, duikt Rutte onder in een gevaarlijk soort neutraliteit. Zijn ‘laten we een beetje normaal doen’ van vorig jaar is van een schrikbarende niksigheid, en toen hij in 2015 beweerde dat Zwarte Piet geen politieke aangelegenheid is, werd vooral duidelijk dat hij dat zelf niet is.

Mede door die pijnlijke karakterzwakte pakte de Haarlemse rechter voor- en tegenstanders van Zwarte Piet stevig bij de oren in zijn obiter dictum: ‘Van belang is dat het gesprek voortgezet wordt. Wat dat betreft stemmen de recente ontwikkelingen niet tot vreugde. Ik vraag u allen: willen wij op deze manier een kinderfeest vieren?’ Hij had weliswaar oor voor de bezwaren tegen racistische stereotypen en het onverwerkte koloniale verleden, maar zei: ‘Als dit zo is, dan is dat des te meer reden om met elkaar het gesprek te blijven voeren.’

Daarmee suggereerde hij dat er sprake is van een gesprek – helaas. Passendale 1917, daar lijkt het meer op.

Met leedwezen dacht ik terug aan een ander gesprek dat niet gevoerd was, dat tussen de hoofdredacteur van The New Yorker David Remnick en alt-right-voorman Steve Bannon. Zij zouden in oktober met elkaar in debat gaan op een festival van The New Yorker. Zo luid was daarop het online protest, dat Bannon nog geen tien uur later weer van de gastenlijst werd afgevoerd. Zo werd op internet, ons eens beloofd als het ideale debatforum, andermaal het debat om zeep geholpen.

Jammer, vond ik, ik had de discussie graag willen horen. De intelligente tegenspraak van Remnick bij het agressieve blanke superioriteitsdenken van Bannon had een belangrijke gebeurtenis kunnen zijn, een voorbeeld van hoe je mensen tegemoet treedt wier opvattingen je verwerpelijk vindt, maar die je niettemin serieus genoeg neemt om mee in gesprek te blijven.

Linkse vrienden van mij dachten daar anders over. Iemand met zulke abjecte ideeën hoor je geen podium te geven. Het waren dezelfde vrienden die kritiek hadden op het tweegesprek tussen Thierry Baudet en mij, vorig jaar in Vrij Nederland. Baudet was een fascist en met fascisten praat je niet. Punt.

Het cordon sanitaire als prop in de mond.

Wie zo denkt, heeft het geloof in het debat verloren en zich verzoend met het failliet van de democratie. Het einde van het gesprek is vaak het begin van het geweld – zolang er uitwisseling is, sta je elkaar tenminste niet onmiddellijk naar het leven. In de woorden van Emil Cioran: ‘Wij zijn erin geslaagd onze moordzucht, die in ons bloed zit, naar ons denken over te hevelen: die acrobatentoer is de enige verklaring voor de mogelijkheid en het voortbestaan van onze samenleving.’

Op dezelfde dag dat in Haarlem wijze rechterlijke woorden klonken, vond in een flatje in Leeuwarden als bij toverslag een bemoedigende ontmoeting plaats tussen Jerry Afriyie van Kick Out Zwarte Piet en een groep blokkeerfriezen. Beide partijen lichtten hun standpunten toe en vroegen om begrip, Afriyie zei nadien in de Leeuwarder Courant: ‘Iedereen zit achter zijn eigen muren, in zijn eigen bubbel. Gelukkig zijn er mensen die proberen om over die muren heen te klimmen. Iets zei me dat ik hier vanavond moest zijn. Ik ben heel blij dat ik het gedaan heb.’ Een kerstbestand in de loopgraven – er is hoop.

Tommy Wieringa schrijft elke week een column op deze plaats.