Opinie

    • Folkert Jensma

Help, de rechters in opstand sturen een brief

Volgens Nieuwsuur was het „uniek” en „zeldzaam” dat rechters zich openlijk uitspreken tegen het bestuur van de rechtspraak. Eerder dit jaar enquêteerde deze ‘Tegenlicht groep’ alle rechters na het mislukte digitaliseringsproject. Dat leidde tot een brief van zes kantjes aan de Kamer met daarin een „toekomstvisie”. Strekking: rechters willen een andere financiering, meer zelfbestuur en vooral: meer greep op de werklast.

Nieuwsuur bracht het vorige week als een ‘opstand’ en borduurde er deze week op door. Nu is geen enkel medium vrij van wierook en rozeblaadjes rond eigen producties, maar ‘uniek en zeldzaam’? Ik telde de afgelopen jaren drie soortgelijke initiatieven. Steeds gaat het over werkdruk, tijdgebrek, afkeer van centraal bestuur en ‘verambtelijking’ van de rechter. Allemaal reëel en relevant, en ook oplosbaar, zeker binnen de derde staatsmacht die zichzelf immers mag besturen.

Pikant is het iedere keer, want magistraten ontlenen hun gezag aan hun kennis, neutraliteit en onafhankelijkheid. Dan is de mediapolitieke arena wel een riskante omgeving. Wat zouden eventueel ‘opstandige’ rechters willen – dat kabinet of Kamer hen kwamen redden, van hun eigen bestuur? Dat regelmatig zelf ook budgettekort en werkdruk aan de orde stelt?

Of voor het leven aangestelde rechters op tv wel sympathie wekken met hun werklast is ook altijd de vraag. Zeker als de klacht vooral over afrekenmodellen gebaseerd op aantallen afgedane zaken blijkt te gaan. Stukwerk dus. Net als elders leidt ook in de rechtspraak het halen van productiedoelen tot behoud van budget en personeel. Zo gek klinkt dat overigens niet. De kunst is vooral om de schokken van vraag en aanbod te kunnen opvangen.

Deze rechters lijken echter hun ‘professionele standaarden’ als enige maatstaf te willen gebruiken voor de financiering. Niet de vraag naar rechtspraak bepaalt dan de productie, maar het aanbod van de rechters. Wat zíj willen leveren, op hun voorwaarden. Dat klinkt mij als een blanco cheque in de oren.

Maar goed, er was opstand beloofd. Ik zat klaar voor de buis, pen in de aanslag. Die enquête was dus door de helft van de 2.300 rechters ingevuld. De rest haalt z’n schouders op of heeft er niet zo’n last van? Of kan het weinig schelen dat de rechtspraak centraal of decentraal bestuurd wordt? Ik vermoed dat alleen het thema ‘werkdruk’ bij iedereen leeft – dossiers worden dikker, zaken gemiddeld moeilijker, wet- en regelgeving vernieuwt zich voortdurend. De rechter wil per se inhoudelijk de baas blijven. Rechters, stafjuristen, ze lezen zich dus suf. Inderdaad, vooral thuis. Met name strafrechters hebben op hun zittingsagenda te weinig greep. Die voelen zich snel een gekooide cavia, inclusief tredmolentje. Dat lijkt mij het belangrijkste probleem, waarbij ik me wel afvraag hoe de werklast toch kan stijgen, terwijl het aantal zaken al jaren afneemt.

Die vraag werd helaas niet gesteld, maar wel wat ‘de burger’ nu merkt van die overbelasting. Het verrassende antwoord: meer fouten in strafvonnissen. Namelijk onschuldigen vrijlaten die schuldig zijn en vice versa. Dat klonk als chantage. Het kan waar zijn, maar kletskoek kan ook. Niemand weet dat immers. Ik ken geen onderzoek naar aantallen fouten die rechters maken. Ik ken zelfs geen rechters die toegeven dat ze ook echt fouten maken. Ik weet wel dat de grootste fout in de rechtszaal, de zaak Lucia de B., geen zittingsuren, deskundigenonderzoek, getuigenverhoren, lees- of raadkamertijd tekort kwam. Lucia de B. werd onschuldig veroordeeld wegens delicten die zelfs nooit zijn gepleegd. Door meerdere gerechten. Alle professionele standaarden zijn in dat historische debacle met vlag en wimpel behaald. Al jaren wordt in 5 tot 10 procent van alle strafzaken de verdachte vrijgesproken. In ieder geval het OM is overtuigd dat de rechter het daar fout zag. Maar wat die zaken gemeen hebben? En of dat ook écht fout was? Nooit onderzocht, voor zover ik weet. Te hoge werklast en ‘dus’ eerder een onjuiste vrijspraak of veroordeling? Ik zou het graag onderbouwd zien. Maar ik moet het doen met een losse bewering.

Op wat die ‘opstand’ inhoudt, wacht ik nog steeds. Ik neem het de Tegenlicht-rechters niet kwalijk – het was niet hun woordkeus. Maar voorlopig heeft de Kamer er vooral een brief bij. Met wensen.

Folkert Jensma is juridisch commentator. Twitter: @folkertjensma
    • Folkert Jensma