‘Had ik die jongens maar eerder gevraagd’

Integratie

De integratie van Eritreeërs gaat moeizaam, schreef het SCP vrijdag. De Amsterdamse Yuri merkte dat zelf toen hij zijn Eritrese buren eens wilde uitnodigen.

Illustratie Kwennie Cheng

Yuri de Boer (36) zet een karaf water, koffie en een schaaltje kletskoppen op tafel. Zijn woning in het Amsterdamse stadsdeel Nieuw-West is aan kant, op de achtergrond klinkt klassieke muziek. Yuri, projectleider bij een mensenrechtenorganisatie, omschrijft zichzelf als „sociaal betrokken” en wilde al tijden kennismaken met zijn Eritrese buren, die nu ruim een jaar boven hem wonen. Straks komen ze eindelijk bij hem op de koffie. Tenminste, als alles goed gaat.

Tot nu toe bleek dat kennismaken nog niet zo eenvoudig. Yuri reist veel voor zijn werk, dus ze komen elkaar maar af en toe tegen in het trappenhuis. Maar het grootste probleem: de taalbarrière. De buren, twee statushouders, spreken alleen Tigrinya, de landstaal van Eritrea. In al die tijd is hij amper iets van ze te weten gekomen. Ja, hij weet dat ze christenen zijn en dat een van hen Johannes heet, maar welke van de twee dat nou is? Yuri schat dat ze begin twintig zijn.

Uit vrijdag verschenen SCP-onderzoek blijkt dat in de eerste helft van 2017 ruim 2.500 verblijfsvergunningen zijn verleend aan Eritreeërs. Het jaar daarvoor waren dat er zo’n 5.000. De Eritreeërs die vóór 1991 kwamen, vluchtten voor de onafhankelijkheidsoorlog, die dertig jaar duurde. De afgelopen jaren probeerden mensen het onderdrukkende regime van Eritrea te ontvluchten. Veruit de meeste Eritrese asielaanvragen in Nederland worden ingewilligd.

En integreren ze ook een beetje? Al Yuri’s pogingen om contact te leggen met de buurjongens waren tot op heden jammerlijk mislukt. Zo had Yuri een keer een monteur van KPN over de vloer die in Eritrea was geboren. In de hoop nu eindelijk een gesprek te kunnen voeren met de jongens liep hij met de monteur naar boven – maar er bleek niemand thuis.

Een andere keer, toen hij hoorde dat ze wel thuis waren, kreeg hij spontaan het idee om ze gewoon maar naar beneden te vragen om koffie te drinken. Het was Yuri’s partner Filip die toen bezwaren had: wordt dat niet ontzettend ongemakkelijk als we elkaar niet kunnen begrijpen? En hoe leg je dan die gigantische homo-erotische muurschildering uit? Misschien zijn die jongens daar helemaal niet van gediend. Ze besloten ervan af te zien.

En dan was er nog die ene dag in het weekend, het zal half zeven ’s ochtends zijn geweest, toen de buren boven zo veel kabaal maakten dat de muren ervan trilden. Yuri liep kwaad naar boven, bonsde op de deur en maande de jongens met wat krachttermen dat ze zachter moesten doen. „Ze zullen wel denken dat ik zo’n boze witte man ben. Ik heb daar zo staan schreeuwen. Daar wil ik nog m’n excuus voor aanbieden.” Ze hadden vast een feestje, dacht hij nog.

Wat kon het anders zijn?

Yuri besloot ze in heel eenvoudig Nederlands en Engels een briefje te schrijven. Of ze op een vrijdagochtend eens langs wilden komen. Hij regelde via via een tolk, een Eritrese Nederlander, om bij het gesprek aanwezig te zijn.

Nu is het eindelijk zover. Yuri is goed voorbereid: er is Ethiopische koffie („Eritrese koffie hadden ze niet”) en de erotische wandschildering is verdwenen achter ‘Korenveld met kraaien’ van Van Gogh. Ook het stel bruidegommetjes in de boekenkast, bedoeld voor op een bruidstaart zijn iets verder opgeschoven.

Was het briefje niet duidelijk?

Lees meer over het rapport van het SCP over de problemen die Eritrese vluchtelingen ondervinden zoals angst, alcohol, frustratie, geweld

Om tien uur zitten Yuri en de tolk klaar. Yuri vraagt hem de jongens op het hart te drukken dat het geen verhoor is, maar dat hij gezellig met ze wil kletsen en geïnteresseerd is in hoe hun leven eruit ziet. En of hij wil beginnen met de excuses over te brengen voor die keer dat hij zo boos voor hun deur stond.

Een half uur na de afgesproken tijd zijn de buren er nog niet. Yuri weet zeker dat ze thuis zijn – zo gehorig is het wel. Was het briefje toch niet duidelijk genoeg? De tolk loopt naar boven. Er bleek toch nog een misverstand in het spel. „Zij hadden begrepen dat de afspraak bij hen thuis was.”

Dan komen ze binnen, Adhanom Yohanes en Fitiwi Dagnew. Korte baardjes, allebei een zwart vest aan. Er worden handen geschud, koffie wordt aangeboden – en afgeslagen – en de tolk neemt even de tijd om Adhanom en Fitiwi uit te leggen dat buurman Yuri graag wil kennismaken en dat er een journalist bij zit die daar iets over wil schrijven. Ze hoeven niets te zeggen over Eritrea en de reden waarom ze zijn gevlucht.

Het gesprek komt voorzichtig op gang. Hoe lang wonen jullie hier al? Hoe oud zijn jullie? De antwoorden zijn kort en worden bijna gefluisterd. De jongens wonen hier al bijna twee jaar, een stuk langer dan hun buurman was opgevallen. En ‘jongens’ zijn het ook al niet meer: Adhanom is 29, Fitiwi is 27.

Adhanom praat nét iets meer dan zijn huisgenoot en glimlacht onophoudelijk. Drie jaar geleden ontmoetten ze elkaar in het asielzoekerscentrum en de mannen bleken goed met elkaar overweg te kunnen. Toen ze hun tijdelijke verblijfsvergunningen kregen, vroegen ze of Vluchtelingenwerk wilde doorgeven dat ze samen in een woning konden. Je kunt namelijk ook een huisgenoot toegewezen krijgen met wie het minder klikt. Drie dagen per week gaan ze naar school en leren ze Nederlands. Vooral Adhanom lijkt al flink wat te begrijpen: nog voor de tolk de vragen naar het Eritrees heeft vertaald, begint hij al te knikken. Als ze vrij zijn, maken ze huiswerk, Fitiwi doet ook aan voetbal. En op zaterdag en zondag gaan ze naar de Eritrese kerk in de Amsterdamse wijk Buitenveldert.

Nederland is mooi, maar eenzaam

En wat vinden ze van Nederland, wil Yuri weten. „Mooi”, zegt Adhanom. Maar ook vreemd: een land zonder bergen. En er wordt weinig gekletst op straat. Bewondering hebben ze voor de manier waarop alles geregeld is. „Waar je ook komt, of het nou een politiebureau is of een azc, mensen zijn zo professioneel. Zo gedisciplineerd.” En is er iets wat jullie tegenviel aan Nederland? Of iets wat je heel vervelend vindt? Adhanom lacht en draait zijn hoofd weg. Hier wil hij geen antwoord op geven. „Je mag het eerlijk zeggen hoor”, moedigt Yuri hem aan. „Ik heb ook jaren in het buitenland gewoond en dan ga je met andere ogen naar Nederland kijken.” Nou vooruit. „Wat ik heel erg mis, zijn sociale contacten. Toen we hier kwamen wonen, heeft iemand van Vluchtelingenwerk ons voorgesteld aan de bewoners van het gebouw die op dat moment thuis waren. Daarna hebben we nooit meer met een van hen gesproken. Met geen enkele Nederlander trouwens. We hadden het fijn gevonden als iemand eens aan de deur was gekomen”, vertelt Adhanom. „Gewoon om te vragen hoe het met ons gaat en een beetje Nederlands te oefenen. Als we onze school en kerk niet hadden, dan was het leven hier heel moeilijk voor ons geweest.”

Yuri zucht. Ja, Nederlanders zijn ook erg op zichzelf, legt hij uit. Hij heeft zelf ook amper contact met de buren. „Je groet elkaar in het voorbijlopen, maar meer is het niet.” En hoe zit het met discriminatie, vraagt Yuri. Hebben jullie daar ervaring mee? Het antwoord is resoluut. „Nee, van discriminatie hebben we nooit iets gemerkt. Nederlanders zijn erg beleefd.”

De contouren van hun toekomst worden al wat duidelijker. Fitiwi wil in een bakkerij of een restaurant werken, Adhanom gaat de tuinbouw in. In Eritrea werkte hij op een boerderij, dat lijkt er wel een beetje op. Behalve dat we in Eritrea met ezels werken dan, lacht Adhanom. Zijn school heeft hem al in contact gebracht met een werkgever. De mannen hebben geen voortgezet onderwijs gevolgd, vandaar dat ze nauwelijks Engels spreken.

Fitiwi en Adhanom zijn beiden getrouwd, hun vrouwen wonen nog in Eritrea. Adhanom heeft twee kinderen; van vijf en drieënhalf. „Ik ben erg blij dat ik hier woon. Maar dit vind ik wel het moeilijkste: dat ik de verantwoordelijkheid op me heb genomen om kinderen te krijgen, maar dat ik nu niet bij ze ben. Ik hoop dat ze snel naar Nederland mogen komen.” Yuri vraagt de tolk of hij de mannen wil vertellen dat ze altijd bij hem kunnen aanbellen als ze ergens hulp bij nodig hebben of als ze hun Nederlands willen oefenen.

En dat feestje?

Dan rest er nog één vraag: wat voor feestje hadden jullie nou die ochtend toen ik kwaad aan de deur stond? Terwijl de vraag wordt vertaald, betrekt het gezicht van Adhanom. „Het was geen feestje”, zegt de tolk. „Nee, het was een verdrietige dag. Adhanoms broer was overleden, dat kreeg hij toen te horen.” Het kost Adhanom duidelijk moeite om uit zijn woorden te komen, en het wachten op de vertaling lijkt minuten te duren. „Hij is verdronken op de Middellandse Zee, in een poging om op een bootje Europa te bereiken. De mensen die op die ochtend bij hen thuis waren, kwamen om te condoleren.”

„Wat erg. Uitgerekend op die dag heb ik tegen hem staan schreeuwen.” Yuri kijkt voor zich uit. „Je kon het niet weten”, zegt de tolk. „Ik schreeuw normaal nooit”, antwoordt Yuri. „Ik voel me zo slecht nu, wil je dat zeggen?”

Dan is het tijd voor Adhanom en Fitiwi om naar school te gaan. Zij en Yuri zeggen elkaar uitgebreid gedag: bedankt, tot ziens en laten we contact houden.

Yuri ploft met een zucht op de bank. „Had ik dit maar maanden eerder gedaan.”

    • Anna Krijger