Deze tentoonstelling is een ode aan de vrouwelijke modeontwerpers

Mode Meer vrouwen dan ooit staan aan het hoofd van een groot modehuis. In het Gemeentemuseum Den Haag is een eerbetoon aan de vrouwelijke modeontwerpers te zien.

Ontwerpster Elsa Schiaparelli in 1932. Foto’s Gemeentemuseum Den Haag, Petrovsky & Ramone, Getty Images/George Hoyningen-Huene

Eerst even over de naam. Femmes Fatales lijkt slecht gekozen voor een tentoonstelling die een eerbetoon is aan vrouwelijke modeontwerpers. Alsof het uiteindelijk allemaal om (het verleiden van) mannen gaat. Of, net zo erg: een lekker klinkende titel die niet noodzakelijkerwijs de lading dekt, maar wel lekker bekt en gemakkelijk te onthouden is, a la High Society, de expositie met levensgrote portretten die afgelopen voorjaar in het Rijksmuseum te zien was.

Zo moet je dat niet zien, zegt Madelief Hohé, modeconservator van het Gemeentemuseum Den Haag: het is op de eerste plaats ironisch bedoeld. „Hoewel sommige ontwerpers, Coco Chanel bijvoorbeeld, handig gebruik maakten van hun vrouwelijkheid, als hun dat zo uitkwam.” Niettemin heeft het Belgische Modemuseum Hasselt, waar de tentoonstelling komend voorjaar te zien zal zijn, gekozen voor een andere titel: Wonder Women.

Opmerkelijk genoeg is Femmes Fatales de allereerste modetentoonstelling die is gewijd aan vrouwelijke ontwerpers. De directe aanleiding om de tentoonstelling te maken was het debuut van Maria Grazia Chiuri voor Christian Dior, in het najaar van 2016. Het opvallendste kledingstuk dat de allereerste vrouwelijke hoofdontwerper van het toen bijna zeventig jaar oude huis liet zien was een T-shirt met een quote van de Nigeriaanse feministe Chimamanda Ngozi Adichie: ‘We should all be feminists.’

Chiuri is zich sindsdien als feministe blijven manifesteren – dit najaar werd het gebouw aan de Avenue Montaigne waarin zich de Parijse flagshipstore bevindt, helemaal bedekt met leuzen als ‘C’est non, non et non’ en ‘Women Empowerment’.

De vraag is natuurlijk: ontwerpt een vrouw anders dan een man?

Van het feministische gehalte van de ontwerpen is lang niet iedereen overtuigd – de collecties zijn niet erg vernieuwend en leunden tot nu toe wel heel zwaar op Dior-logo’s, bustiers en doorkijkrokken, en bovendien kun je je afvragen hoe de hoge Dior-prijzen zich verhouden tot activisme. Maar het zegt wel iets over deze tijd dat een luxemerk zich succesvol kan verkopen met feminisme.

Ook in Den Haag vind je strijdkreten, met dikke letters op de muur geschreven, of op bordjes bij de kleding. ‘Pink not pussy’, ‘Vivre libre ou mourir’, ‘Dress dress no code’. De traditionele rol van de vrouw wordt verbeeld door opstellingen met aanrechten (aan het begin en het einde van de expositie) en strijkijzers (bij strakke, veelal tricot-kleding uit de jaren zestig en zeventig).

Mode met strijdkreten op de expositie Femmes Fatales. Foto’s Gemeentemuseum Den Haag, Petrovsky & Ramone, Getty Images/George Hoyningen-Huene

De enige mannelijke pop van de expositie staat in de zaal met 18de-eeuwse jurken. Onder een guillotine, reeds onthoofd, een symbool voor de strijd die vrouwen hebben geleverd om modeontwerper te kunnen worden.

Eeuwenlang was streng gereguleerd wat vrouwen (naaisters) en mannen (kleermakers) mochten maken. Het snijden van de stof was voorbehouden aan mannen, vrouwen mouleerden. Kleding met baleinen was in Frankrijk sowieso voorbehouden aan mannen, tot in 1725 een naaister die die toch maakte zo mishandeld werd door mannelijke collega’s dat ze een miskraam kreeg en de wetgeving werd veranderd.

In de 19de eeuw werden, ook in Nederland, de gilden opgeheven, maar het was een man, de Brit Charles Frederick Worth, die een upgrade aan het woord couturière (naaister) gaf door zich couturier te noemen, waarmee hij wilde benadrukken dat hij niet alleen een vakman was, maar ook een kunstenaar.

In zijn voetspoor volgden, rond de vorige eeuwwisseling, vrouwen als Jeanne Paquin, Madeleine Vionnet, Jeanne Lanvin, en later Madame Grès en Coco Chanel. De laatste werd in haar beginjaren door collega Paul Poiret weggezet als ‘dat naaistertje’, waarmee hij wilde zeggen dat een couturière iets anders was dan een couturier.

In de jaren zestig en zeventig maakten Mary Quant, Agnès b., Sonia Rykiel en Diane von Furstenberg furore met hun prêt-à-porter, in de jaren tachtig kwamen ontwerpers als Vivienne Westwood, Norma Kamali en Donna Karan op. Die laatsten hadden hun succes niet per se alleen te danken aan hun talent, zo schreef The New York Times eens: vanwege de aids-epidemie staken investeerders hun geld liever in merken die geleid werden door een vrouwelijke dan een mannelijke, vaak homoseksuele, ontwerper.

Uit de herfst-/ wintercollectie 2018 van Vivienne Westwood. Foto’s Gemeentemuseum Den Haag, Petrovsky & Ramone, Getty Images/George Hoyningen-Huene

Tegenwoordig staan meer vrouwen dan ooit aan het hoofd van een groot modehuis. Een greep: Natacha Ramsay-Levi bij Chloé, Sarah Burton bij Alexander McQueen, Nadège Vanhee-Cybulski bij Hermès, Clare Waight Keller bij Givenchy. Isabel Marant, Stella McCartney, Simone Rocha en Iris van Herpen hebben succesvolle eigen huizen opgezet, Miuccia Prada, Agnès b. en Rei Kawakubo zijn nog steeds verantwoordelijk voor hun eigen merken.

Male gaze

De vraag is natuurlijk: maken vrouwelijke ontwerpers andere mode dan mannelijke?

Er zijn mannelijke ontwerpers die vrouwen bedienen die van bijzondere, maar draagbare en bedekkende kleding houden – Yohji Yamamoto, Dries Van Noten en Christophe Lemaire bijvoorbeeld. Er zijn natuurlijk vrouwelijke ontwerpers die extravagante ontwerpen maken of maakten – zoals Elsa Schiaparelli en Fong Leng. En er zijn vrouwen die er niet voor terugdeinzen vrouwen te kleden voor de male gaze – denk aan Donatella Versace in de eerste jaren dat ze het overnam van haar in 1997 vermoorde broer Gianni. Inmiddels heeft ze zich aan de kuisere tijdgeest aangepast, maar dat kun je ook zeggen van veel van haar mannelijke collega’s.

Toch valt op dat je op de tentoonstelling weinig outfits ziet die vrouwen tot een type maken, of de draagster overheersen. Als je een conclusie kunt trekken naar aanleiding van de stukken die in het museum te zien zijn is het, zoals al op de muur staat: ‘Woman First Fashion Second’.

Ontwerpster Elsa Schiaparelli in 1932.
Mantels uit de jaren zestig en zeventig van Jean Muir, Nina Ricci en Fong Leng.
Links: Mantels uit de jaren zestig en zeventig van Jean Muir, Nina Ricci en Fong Leng. Rechts: Avondjurken uit de jaren twintig van
Callot Soeurs
en Chanel.

Foto’s Gemeentemuseum Den Haag, Petrovsky & Ramone, Getty Images/George Hoyningen-Huene

Dat wil niet zeggen dat vrouwen geen grote verschuivingen in de mode hebben veroorzaakt. Chanel introduceerde onder meer tricot, opzettelijke soberheid en nepjuwelen in de vrouwengarderobe. De Circuscollectie van surrealist Elsa Schiaparelli wordt gezien als de eerste conceptuele collectie. Rei Kawakubo, de vrouw achter Comme des Garçons, is de uitvinder van de in de jaren tachtig razend populaire ‘armoedelook’ en nog altijd een van de meest radicale en vernieuwende stemmen in de mode – niemand houdt zich zo weinig aan de begrenzingen van het lichaam als zij. De Nederlandse Iris van Herpen maakt mode die nog nauwelijks iets met traditionele kleding van stof te maken heeft.

En weinig ontwerpers hebben de laatste tien jaar zo hun stempel gedrukt op de vrouwenmode als Phoebe Philo, tot eind vorig jaar verantwoordelijk voor Céline: eerst een prettig, bijna nerdy soort minimalisme, daarna veel wijde kleren in aantrekkelijke artistieke stijl. Jammer dat in het museum alleen een, niet per se heel bijzondere, smoking van haar te zien is, terwijl er wel veel te zien is van Chiuri.

Ook een beetje jammer is dat een aantal van de ontwerpers van wie werk is opgesteld ook voor mannen ontwerpt of ontwierp, maar dat daar niks van te zien is in het Gemeentemuseum. Het zou leuk zijn geweest ook de vrouwelijke visie op mannenmode te kunnen bekijken.

Femmes Fatales, sterke vrouwen in de mode. Gemeentemuseum Den Haag, tot en met 24 maart. gemeentemuseum.nl
    • Milou van Rossum