Kees van den Bos

Foto Lars van den Brink

Waarom mensen radicaliseren: de tijdbom van de onbeheerste woede

Terrorismebestrijding

Terrorisme begint met onzekerheid, onrechtvaardigheid én onbeheerste woede, zo ontdekte sociaal psycholoog Kees van den Bos. Hij schreef er een boek over.

In 2015 was Kees van den Bos op vakantie in New York. Na museumbezoek overdag overdacht hij ’s avonds op zijn hotelkamer zijn activiteiten als wetenschapper.

Helemaal tevreden was hij niet, vertelt hij in zijn werkkamer in een van gebouwen van de Universiteit Utrecht. Was hij genoeg met de grote vragen bezig geweest? „De filosoof Daniel Dennett zei ooit: ga als wetenschapper achter de grote vraagstukken aan en negeer de rest. Dat sprak me aan.”

Van den Bos, sinds 2001 hoogleraar sociale psychologie en sinds 2013 hoogleraar empirische rechtswetenschap (een soort rechtssociologie), schreef de vragen en begrippen die hem boeiden op in een dun, beige notitieboekje. Hij laat de bezoeker zijn aantekeningen zien. In de vele krabbels staan Engelse en Nederlandse woorden door elkaar heen: „Trust”, maar ook „radicalisering”. In de inhoudsopgave van zijn in oktober uitgekomen boek duiken drie van die begrippen terug: onrechtvaardigheid, onzekerheid en gebrek aan zelfcontrole. De titel van het boek verwijst naar één van de grote vragen van deze tijd: Why people radicalize (Oxford University Press).

Het boek bouwt voort op wat Van den Bos en collega-wetenschappers eerder deden voor de Nationaal Coördinator Terrorismebestrijding. In de jaren na de moord op Theo van Gogh (2004) wilde NCTb-oprichter Tjibbe Joustra van Van den Bos en zijn collega’s weten wat radicale jongeren (islamitisch, rechts-extremistisch) bezielde.

„Voor ons werk voor de NCTb zochten we zulke jongeren op”, vertelt Van den Bos. „Daar moet je veel tijd voor nemen: assistenten inhuren, naar demonstraties gaan, bij voetbaltoernooien zijn in hun wijk. Op die manier laat je zien dat je echt interesse in hen hebt. Daardoor gaan mensen zich langzaam voor je openen.”

In de gesprekken met de jongeren over hun leefwereld doken ze voor het eerst op, die drie begrippen uit zijn beige notitieboekje. Het waargenomen onrecht kon ver weg zijn – behandeling van Palestijnen door Israël – maar ook om de hoek, zoals de botte reactie van de vestigingsmanager van de Albert Heijn op een verzoek om een baantje. Bij gevoelde onzekerheid ging het over existentiële vragen als: waar voel ik me thuis, waar behoor ik toe? Wie houdt van mij? Ga ik een goede toekomst tegemoet?

Voor radicale gevoelens of gedragingen is nog een derde element noodzakelijk: een gebrek aan zelfcontrole, zoals onbeheerste woede. „De meesten van ons kunnen ook wel eens boos worden over iets dat we in de krant lezen, maar dat zakt even later vaak weer weg”, legt Van den Bos uit. „Dat gebeurt vaak omdat we andere dingen aan ons hoofd hebben, maar ook omdat we begrijpen dat dingen niet zomaar te veranderen vallen.”

De radicaal blijft echter boos, wil dingen rechtzetten, onrecht bestrijden. Als zo iemand daarbij de grenzen van de rechtsstaat overschrijdt, wordt hij een extremist, bij een aanslag een gewelddadig extremist.

Aanslagen en andere extremistische acties vergen dehumanisering van de tegenstanders, schrijft u. Hoe gaat dat in zijn werk?

„Het gaat om abstrahering van mensen die je als je tegenstander ziet. Om mensen van vlees en bloed in een ding te laten veranderen, moet je stelselmatig jezelf voorhouden dat je je niet verbonden voelt met die ander. Je zet processen als medemenselijkheid en empathie bij jezelf stop. Dat is moeilijk. Het vergt inspanning. Maar het kan. Kijk naar de nazi’s. Die zetten Joden op steeds grotere afstand. Op den duur werden ze in nazifilms als ratten afgebeeld. Die mocht je, nee, moest je verdelgen.

„Een ander voorbeeld: RAF-terroriste Ulrike Meinhof. Die schreef over de politie: dat zijn geen mensen, dat zijn zwijnen. Daar mag dus op geschoten worden.”

Hoe werkte dat bij de asielzoeker uit Duitsland die in september naar Nederland kwam om willekeurige toeristen neer te steken op Amsterdam CS uit boosheid over ‘beledigingen van Allah en de Profeet’ door Geert Wilders?

„Veel mensen onderschatten de boosheid, de gekwetstheid die het spotten met de profeet Mohammed bij moslims kan veroorzaken. Dat zit heel diep. Dat is voor de buitenwereld moeilijk te bevatten. Dat onbegrip zag je terug in de reportages over het Duitse dorp waar de man vandaan kwam. Allerlei mensen zeiden: maar het was juist zo’n aardige, onopvallende rustige man. Nou, deze man was dus vooral heel erg boos en gekwetst. Hij wilde iets doen dat binnen zijn mogelijkheden lag. Hij dacht wellicht: ik ga naar dat land dat kennelijk niks tegen zo’n cartoonwedstrijd doet. Die toeristen zijn schuldig als onderdeel van het land dat dat allemaal toelaat.”

Om radicalisering te stoppen is meer zelfcontrole nodig. Daarvoor zijn ‘cognitieve vaardigheden’ en ‘beschikbaar geheugen’ nodig, schrijft u in uw boek. Hoe zit dat?

„Veel mensen willen graag het goede doen. Ze staan daarbij open voor argumenten, voor tegenwerpingen. Maar dat geldt minder of soms zelfs helemaal niet als ze veel te veel aan hun hoofd hebben. Dan wordt het werkgeheugen te veel belast. Een mens kan cognitief ongeveer zeven eenheden informatie kort na elkaar aan, blijkt uit onderzoek. Anders wordt het te veel. Een mens is vrij snel overbelast, kan dan soms dingen doen waar hij later spijt van krijgt. Als je hard hebt gewerkt, en je komt op weg naar huis in een volle bus terecht, dan geef je sneller iemand een por als je naar je zin niet genoeg ruimte krijgt. Radicalisering heeft dus niet alleen met drijfveren en motivatie te maken, maar ook met het kunnen verwerken van informatie. Als mensen ‘complexe problematiek’ hebben – schulden, ruzie met je vrouw, ziekte, geen werk – dan wordt dat de kans groter dat ze egoïstisch gedrag gaan vertonen, en soms letterlijk van zich af gaan meppen.”

Teun van Dongen schreef een studie over gegoede, altruistische burgers die terrorist werden uit schuldgevoel over hun bevoorrechte positie in de samenleving. Klopt dat ook?

„Daar zijn zeker voorbeelden van, zoals de RAF-terroristen in Duitsland of radicale feministen. Beide groepen kwamen uit de bovenlaag van de samenleving. Wel denk ik dat het bij de echte altruïsten, die iets dus geheel uit onbaatzuchtigheid doen, om een kleine minderheid gaat.

„Een voorbeeld. Als jij merkt dat je, in vergelijking met iemand anders die precies hetzelfde werk doet, meer betaald krijgt dan die ander, dan zul je daar in eerste instantie niet zo’n punt van maken. Veel mensen denken: die bonus heb ik blijkbaar verdiend, dat is mooi meegenomen! Een aanmerkelijk kleiner gedeelte zal daar na een tijdje schuldgevoelens over ervaren. En nog weer een gedeelte daarvan gaat vervolgens kijken of de betaling gelijk kan worden getrokken.

„Overigens kun je je bij dit alles afvragen in hoeverre dit werkelijk altruïstisch, belangeloos gedrag is. Het zou ook kunnen zijn dat je dat doet om van je knagende schuldgevoel af te komen.”

U behandelt in uw boek, naast moslim-radicalisme, ook rechts- en links-radicalisme en extremisme. Waarom deze brede aanpak?

„Door die breedte leer je de verschillende soorten radicalismen beter begrijpen. Moslim- en rechts-radicalisme lijken op elkaar, blijkt dan. Rechtse radicalen gaan vaak uit van de notie: de moslims pakken onze banen, onze huizen en onze vrouwen af. Zo’n gevoel van achterstelling bestaat ook onder moslims, maar zij projecteren hun achterstellingsgevoel niet op PVV’ers, maar op autoriteiten: de Albert Heijn-manager die hen een baantje weigert, de regering die niet voor hen opkomt. In onze enquêtes onder moslimjongeren werd opvallend vaak geklaagd over het feit dat Nederland wel een Tweede Pinksterdag kent, waarvan steeds minder mensen de betekenis kennen, maar geen vrije dag voor het Suikerfeest.

„Bij linksradicalen speelt het gevoel van die groepsdeprivatie veel minder. Radicale dierenactivisten en asielactivisten gaan voor het eigen moreel gelijk over dierenrechten of het vreemdelingenbeleid. Het is ook minder groepsgedreven radicalisering dan de eerste twee. Dat is belangrijk om te weten, want radicalisering in groepsverband kan verklaren waarom bijvoorbeeld moslimradicalisme na verloop van tijd bij iemand verflauwt. Die radicalen verlaten de groep omdat ze trouwen, een baan krijgen: huisje, boompje, beestje.”

Lees ook: Helpen al die maatregelen tegen terrorisme eigenlijk wel?

Verklaart het verlangen van moslims naar respect door autoriteiten waarom indertijd Mark Rutte’s ‘pleur op’-opmerking in die kring hard aankwam?

„Dat zou kunnen. De opmerking van Rutte en de negatieve reacties daarop, demonstreren in elk geval hoe belangrijk het is de juiste toon te vinden. Een goed voorbeeld is Lodewijk Asscher. Die volgde als minister voor Integratie een tweesporenbenadering. Hij zei tegen radicale moslims: Ik ben bereid om me te verplaatsen in wat bij jullie leeft, maar jullie hebben niet alleen rechten, maar ook plichten. Als je het zo formuleert, heeft dat meer overredingskracht dan ‘pleur op’.”

Wat zijn de mogelijkheden van het bevorderen van zelfcontrole en van deradicalisering?

„Die zijn heel beperkt. Personen als Anders Breivik in Noorwegen of uitreizigers naar Syrië en Irak zijn heel ver in hun radicaliseringsproces. Het is heel belangrijk om veel vroeger in het proces te interveniëren, om preventief te werken voordat er dingen fout gaan. Zo was er in België een vrouw die voorlichting ging geven op scholen over onder meer de radicale groep waaruit ze voortkwam. Dan leer je op een andere, constructieve manier met dezelfde thematiek omgaan. Een andere methode, die je ook bij cursussen anger management ziet, is boksles nemen. Op die manier leer je woede op een andere manier kanaliseren.”

    • Kees Versteegh