Waar komt ons gevoel voor muziek vandaan?

Muziekcognitie Hoe ontstond ooit muziek? Henkjan Honing zoekt de oorsprong van menselijke muzikaliteit bij spreeuwen, makaken en baby’s. En bij een bijzonder duo: de zeeleeuw en de kaketoe.

Tot ieders verrassing blijkt dat een kaketoe en een zeeleeuw maatgevoel hebben. Beeldbewerking NRC Fotodienst

Hoelang al klinkt muziek op aarde? Het oudst bekende muziekinstrument is een hol spaakbeen van een vale gier, met vijf gaten. Opgegraven in de Hohe Fels-grot in Centraal-Duitsland, 35.000 tot 40.000 jaar oud, en ooit bespeeld door Cro Magnonmensen in de ijstijd. Ook nu nog kan een experimenteel archeoloog op een replica heel aardig het Amerikaanse volkslied laten klinken. De gaten zijn zo geplaatst dat je een ‘gewone’ pentatonische toonladder kunt spelen.

Is de oudste muziek zo oud? Niemand weet het. Misschien zongen 200.000 jaar geleden de Neanderthalers honderduit en dansten miljoenen jaren geleden de Australopithici al iedere avond. Daar zijn geen resten van. Het moderne onderzoek naar de oorsprong van muziek bekijkt menselijke muzikaliteit daarom op een andere manier. Van binnenuit. „We kijken naar de muzikale vermogens van de mens”, zegt Henkjan Honing, hoogleraar muziekcognitie aan de Universiteit van Amsterdam, „en we onderzoeken of die ook bij dieren voorkomen.”

Deze zomer verscheen onder Honings redactie een kloek wetenschappelijk overzichtswerk The Origins of Musicality, een magnum opus. Honing: „We zijn nu echt verder dan 10, 15 jaar geleden, dankzij nieuwe inzichten uit de biologie. Er heerst een razende hypothesedrift!” In 2000 verscheen bij dezelfde wetenschappelijke uitgeverij (MIT Press) een vergelijkbaar groot handboek onder de titel The Origins of Music, Honing: „Onze nieuwe titel is natuurlijk expres gekozen. Toen ging het om het object: muziek. Nu gaat het over de capaciteit voor muziek. Die menselijke muzikaliteit bestaat op zijn minst uit twéé centrale vermogens, denken we: maatgevoel en relatief gehoor. Dat je dus haast gedachteloos met muziek kan meeklappen of meebewegen én dat je een melodie die iets hoger of lager wordt gezongen gewoon herkent als dezelfde melodie.” Wegens een ernstige ziekte moet Honing het nu rustig aan doen, maar hij maakt graag tijd vrij om in een Amsterdams café enthousiast te spreken over zijn vakgebied. Honing: „Natuurlijk, van muziek als menselijk fenomeen kun je ook de oorsprong zoeken, maar dan kijk je vooral naar universele patronen in de muziek van verschillende culturen. Wat gemeenschappelijk is, zal wel een lange evolutionaire geschiedenis hebben, hoop je dan maar.”

Culturele statistiek

Uit die universele aanpak komen ook wel inzichten voort, zegt Honing. „Bijvoorbeeld dat het octaaf overal voorkomt en dat dat vaak wordt opgedeeld in een klein aantal tonen, vijf à zeven, met ongelijke afstanden tussen de tonen. Maar waarom is dat zo? Omdat onze hersenen dat graag willen? Of omdat je op die manier heel veel variatie kunt maken? Je maakt een soort culturele statistiek op basis van vaker en minder vaak voorkomende muzikale patronen, maar je kijkt niet naar de onderliggende biologische capaciteit voor muziek.”

Lees ook: Maken we muziek om kinderen te kalmeren?

In een etnografische aanpak loop je ook snel op tegen de problematische definitie van muziek. Want het stuk ‘4’33”’ van componist John Cage, uit 1952, geldt nu eenmaal óók als muziek: ruim vier minuten stilte, terwijl de pianist wel achter de piano zit. En denk niet dat zoiets geks alleen in de moderne cultuur als muziek geldt. In de jaren zestig schreef muziekantropoloog Allan Merriam al over de muziekdefinities van niet-westerse volkeren (in The Anthropology of Music, 1964). Als je op een fluit blaast als signaal tijdens de jacht is dat echt geen muziek, vinden de Basongye, uit Congo. Maar binnen een muziekstuk wél. Stilte zonder pianist is ook geen John Cage-muziekstuk.

Honing: „Als je muzikaliteit gaat onderzoeken heb je veel meer houvast. De biologische basisvaardigheden kun je dan bij dieren onderzoeken, om het evolutionaire verleden van die muzikale eigenschappen te onderzoeken”. De bedoeling is niet om vast te stellen waarin mensen uniek zijn. „Wij willen de kern van onze muzikaliteit begrijpen en zoeken naar parallellen en varianten van die eigenschappen bij andere dieren. Onze muziek is natuurlijk niet uit de lucht komen vallen.”

Duiven en karpers

Vooralsnog vertonen niet veel dieren kenmerken van menselijke muzikaliteit. Ja, jaren geleden al kon je in een lab duiven en zelfs karpers goed leren om onderscheid te maken tussen, zeg, orgelmuziek van Bach en de Sacre du Printemps van Stravinsky. Maar ja, waar letten die dieren dan op? Want maatgevoel of relatief gehoor hebben ze niet. Een duif die perfect een driekwartsmaat van een vierkwartsmaat heeft leren onderscheiden, raakt totaal in de war als het ritme iets langzamer wordt afgespeeld. En een melodie die op andere toonhoogte afgespeeld wordt, herkent het dier ook niet als hetzelfde. Honing: „Dan denk je weleens: dat hóór je toch. Maar nee hoor.”

In 2016 werd door Honings collega Aniruddh Patel een doorbraak bereikt in het onderzoek naar toongevoel bij andere dieren. Want verhogingen en verlagingen van simpele melodietjes bleken door spreeuwen wél herkend te worden als dezelfde melodie als de wolk van boventonen (het timbre) van iedere toon hetzelfde bleef. Voor mensenoren klinken die melodietjes heel vreemd suizend, maar voor de spreeuwen was dát ‘gesuis’ dus juist het patroonbepalende element, en niet de toonhoogte. Niet toonhoogte, maar timbre telt bij spreeuwen.

Lees ook over muziekcognitie:Met zijn allen (2003)

Maatgevoel is nog wel enigszins terug te vinden bij heel verre verwanten van de mens, zoals tsjirpende krekels en knipperende vuurvliegjes. Die kunnen dat knipperen zo aanpassen dat ze allemaal tegelijk aan en uit gaan. Het vermogen is visueel, niet auditief, en ook beperkter dan dat van de mens. Vuurvliegjes kunnen alleen synchroniseren met elkaar. Terwijl menselijk maatgevoel gaat om meebewegen met de puls in ritmisch geluid, en op veel meer snelheden dan de vuurvlieg. Bij die insecten is het ‘maatgevoel’ het grootst als de puls rond de 2 Hz ligt (120 beats per minuut) Overigens, omdat die 120 bpm ook een geliefd ritme van mensen is, zouden de vuurvliegjes wel weer – zo is berekend in The Origins of Musicality – in theorie met bijna 60 procent van de westerse popmuziek kunnen meeknipperen.

Bij naastere verwanten van de mens is dat maatgevoel nog ver te zoeken. Bij één chimpansee, het vrouwtje Ai, is ooit in een complexe proef in Japan vastgesteld dat ze enigszins de regelmaat van klinkend ritme overnam, maar alleen als dat ritme een tempo had van – alweer – rond de 2 Hz (120 bpm). Honing: „Misschien is dat wel de eigen frequentie van haar arm, en de snelheid waarop je het lekkerst heen en weer beweegt.” Een paar jaar geleden is bij een experiment met trommels in een dierentuin nog gezien dat een bonobo enigzins de maat van een ander overnam. Voorlopig blijft de conclusie: alleen de menselijke primaat heeft maatgevoel.

Chimpanseefeest

Maar wat dan weer te denken van het ‘carnival display’ van wilde chimps dat door verschillende onderzoekers is beschreven? Het komt voor bij ontdekking van een rijk beladen fruitboom of wanneer twee subgroepen elkaar weer ontmoeten: luid roepen, stampen, rondrennen, slaan op boomstronken en andere vormen van chaotisch lawaaimaken. Géén synchroon bewegen dat op dansen lijkt, maar het ‘feest’ kan uren doorgaan. Als de Bayaka, pygmeeën uit hetzelfde woud in Congro Brazzaville, dat apenlawaai horen, schieten ze in de lach. De Bayaka zien het als een mislukte poging van de harige bosbewoners om een ritueel uit te voeren. Het is natuurlijk geen muziek, schrijven onderzoekers in The Origins of Musicality, maar we zien hier misschien wel een soort oermotivatie om feest te vieren waarin – vanuit mensenstandpunt – muziek toch perfect zou passen.

Het zijn twee niet-primaten die de laatste jaren het maatgevoelonderzoek domineerden: een kaketoe en een zeeleeuw. Honing: „Het begon met Snowball de kaketoe. In 2007 dook ineens een filmpje van Snowball op, een witte kaketoe, die met een aantal liedjes ritmisch ging mee bewegen. Leuk om te zien, maar eerst geloofde ik er niks van. Hij deed het alleen als zijn baas er bij was, en ook maar bij een beperkt aantal liedjes. Ik zat toen ook nog helemaal in het kamp: muziek is cultureel bepaald.”

Snowball in actie

Maar in vervolgonderzoek waarbij liedjes versneld en vertraagd werden afgespeeld, ging Snowball daar goed in mee. „Dat onderzoek – ook van Patel trouwens – was een grote victorie voor een theorie dat maatgevoel zou kunnen samenhangen met vocaal leervermogen, dat mensen én vogels hebben, maar apen niet. Honing: „Wie goed kan luisteren naar een ander, om zijn geluid over te nemen, zou ook weleens goed ritme kunnen horen. En nu was er een vogel met maatgevoel, en ook nog eens van een soort die beroemd was om zijn vocale leervermogen! Snowball werd op slag ambassadeur van ons vakgebied.” Bij andere kaketoes en papegaaien werd hetzelfde maatgevoel gevonden.

En daar is Ronan!

Maar helaas: in 2013 was daar ineens Ronan de zeeleeuw. Een paar jaar eerder was ze als eenzaam jong langs de kustweg Highway 1 in Californië gevonden, en uiteindelijk in een zeebiologisch lab van de Universiteit van Santa Cruz terechtgekomen. Daar besloten twee jonge onderzoekers te kijken of ze haar maatgevoel konden aanleren, als weekendproject. Na iedere reeks hoofdknikjes in de maat van de muziek, kreeg Ronan een stukje haring.

En of zij dat kon! Honing: „Ik heb het met eigen ogen gezien, en zij kan het echt beter dan ik: headbangen op ‘Boogie wonderland’, van Earth, Wind & Fire. Ze doet het voor de vis, maar óók voor de lol. Ze heeft meteen de eerste tel goed, beter en sneller dan een mens.” Een probleem: zeeleeuwen hebben écht geen vocaal leervermogen, weg theorie.

„Daarom zou het nou zo mooi zijn als we ook bij apen zoiets zouden kunnen vinden”, verzucht Honing. In Japan wordt inmiddels uiterst geduldig vervolgonderzoek gedaan met de chimpansee Ai, wier zoontje met haar mee lijkt te bewegen, als ze bepaalde maatgevoel-experimenten doet. „Elke dag weer, nu al weer twee jaar lang, wordt dat geobserveerd en geanalyseerd. Maar we moeten afwachten tot mijn Japanse vrienden die analyses rond krijgen.”

Sinds een aantal jaren werkt Honing zelf aan de hypothese van de ‘Graduele Audiomotor Evolutie Hypothese’ waarbij de bijzondere maatgevoeligheid van de mens niet plotseling is ontstaan maar is voortgekomen uit een steeds sterker ontwikkelend gevoel voor gelijkmatig in de tijd verdeelde geluiden. Want resusapen hebben inderdaad gevoel voor de regelmaat van geluiden, maar dus niet voor de puls in een variërend ritme (maatgevoel), zo stelde hij vast in een recent experiment (Frontiers in Neuroscience, 16 juli 2018). Cruciaal voor Honing is dat hij en zijn Mexicaanse collega’s zagen dat de apen de regelmatigheden in ritme registreerden met een netwerk van drie hersengebieden dat bij mensen óók voor het maatgevoel belangrijk is. „Het systeem is dus al min of meer beschikbaar! Alle primaten hebben het, maar bij ons mensen is de controle beter. Bij taal is iets vergelijkbaars aangetoond: bij apen vind je veel dezelfde ‘praatgebieden’ in het brein: fysiologisch gezien zouden ze kunnen praten, maar controle en aansturing lijken te ontbreken. Maatgevoel zou dan op vergelijkbare manier uit al bestaande hersenenstructuren kunnen zijn ontstaan. Hoe dat bij chimpansees zit, weten we nog niet, bij hen zou dan de sterkte van de verbindingen in dat netwerk ergens tussen makaken en ons in moeten zitten, volgens onze theorie. We zullen zien.”

Correctie (18 november 2018): De favoriete song van de zeeleeuw Ronan is ten onrechte ‘Boogie woogie wonderland’ genoemd en is verbeterd in het juiste ‘Boogie Wonderland‘.

Luister ook naar deze aflevering van onze podcastserie Onbehaarde Apen, met Henkjan Honing: Zijn wij de enige muzikale dieren?
U kunt zich ook abonneren via iTunes, Stitcher, Spotify of RSS.
    • Hendrik Spiering