Recht op vakantie vervalt niet automatisch bij einde werk

Deze rubriek belicht elke week kwesties uit het bedrijfsleven waarover de rechter zich onlangs uitsprak. Deze keer Europees recht: recht op vakantie en bescherming van ‘spinning’.

De lidstaten treffen de nodige maatregelen opdat alle werknemers jaarlijks een vakantie met behoud van loon van ten minste vier weken wordt toegekend. Zo staat het letterlijk in de spelregels van de EU. Het Europees Hof heeft de reikwijdte van dit recht in de loop der jaren gepreciseerd. Daaraan heeft het vorige week een hoofdstuk toegevoegd door te bepalen dat een werknemer dit recht niet automatisch mag verliezen als hij geen of niet alle vrije dagen heeft opgenomen.

Sebastian Kreuziger en Tetsuji Shimizu kregen van hun Duitse werkgevers geen vergoeding voor vakantiedagen die zij aan het einde van hun dienstverband over hadden. Die hadden ze maar moeten opnemen toen ze nog in dienst waren, vonden hun werkgevers. Kreuziger en Shimizu pikten dat niet en stapten naar de rechter, die hun zaken voorlegde aan het Europees Hof met de vraag of de weigering van de werkgevers door de beugel kon.

De hoogste Europese rechter noemt betaalde vakantie „een bijzonder belangrijk beginsel van sociaal recht” in Europa. Verder stelt hij vast dat de werknemer moet worden beschouwd als „de zwakkere partij binnen de arbeidsverhouding, zodat moet worden verhinderd dat de werkgever over de mogelijkheid beschikt om hem een beperking van zijn rechten op te leggen”. Tegen die achtergrond is de werkgever, aldus het Hof, verplicht ervoor te zorgen dat de werknemer in staat is zijn jaarlijkse vakantie op te nemen. Pas als vaststaat dat de werknemer „bewust en met volledige kennis van de daaruit voortvloeiende gevolgen” heeft afgezien van zijn vrije dagen, verliest hij zijn recht op vakantie en, in geval van beëindiging van het dienstverband, zijn aanspraken op een financiële vergoeding voor niet-opgenomen dagen. Bij geschillen is het dan aan de nationale rechter om dat te verifiëren.

www.curia.europa.eu: ECLI:EU:C:2018:872 en 2018:874
    • Joop Meijnen